TW3 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW3 B1 > Flashcards

Flashcards in TW3 B1 Deck (115):
1

Hoesten en niezen zijn de … van een verkoudheid.

symptomen

2

Als je ouder wordt, krijg je veel problemen met je lichaam zoals hoge bloeddruk, slecht zien, etc. Dit noemen we ....

kwaaltjes

3

Iets wat pijn doet = … (adjectief)

pijnlijk

4

Als ik iets kouds drink, heb ik pijn aan mijn tanden. Ik heb … tanden.

gevoelige

5

Problemen met je gezondheid =

gezondheidsklachten

6

Pijn doen = ... doen

zeer

7

Ik heb een ziekte voor de rest van mijn leven = ik heb een … ziekte.

chronische

8

Na een tijdje =

na verloop van tijd

9

Wat schrijf je op een kaartje voor iemand die ziek is?

Van harte beterschap!

10

Ik wens je veel … met de dood van je vader.

sterkte

11

Jij hebt een stevige …, als je zo hoest en niest!

verkoudheid

12

Ik kan niet meer goed door mijn neus ademen, hij zit …

verstopt

13

Wat zijn de tijden van HOESTEN?

hoestte, gehoest

14

Ik heb een … voor gras. Ik krijg allemaal rode vlekken als ik in het gras zit.

allergie

15

Als de temperatuur van je lichaam stijgt, dan heb je …

koorts

16

Je koorts meet je met een …

thermometer

17

Door het dansen was ik nat van het …

zweet

18

Bibberen = …

beven of rillen

19

Ik ben een beetje … . Alles draait om me heen en ik heb het gevoel dat ik ga vallen.

duizelig

20

Overgeven = …

braken of kotsen

21

Geef de tijden van KREUNEN.

kreunde, gekreund

22

Ik loop de hele tijd naar de wc, ik heb last van …

diarree

23

Ik ben …, ik heb het gevoel dat ik moet overgeven.

misselijk

24

Wonden moet je altijd goed schoon maken anders … ze.

ontsteken

25

De ontsteking = de …

infectie

26

In het ziekenhuis moeten de verplegers hun handen goed wassen voor de …

bacteriën

27

In Afrika zijn er veel besmettelijke ziektes. Daar heersen echte …

epidemieën

28

Ik heb een … ziekte. Eerst had mijn opa het, dan mijn vader en nu ik.

erfelijke

29

Jij bent goed verkouden. Blijf maar uit mijn buurt, want dat is erg …

besmettelijk

30

De griep is een …, het verspreidt zich door de lucht.

virus

31

De wond = de …

wonde

32

Wat zijn de tijden van OVERDRAGEN?

droeg over, overgedragen

33

Als je een drukke job hebt, dan kan je veel … hebben.

stress

34

Plots en kort ergens last van hebben = een … hebben.

aanval

35

Een wonde dichtnaaien = …

hechten

36

De druk van je bloed is de …

bloeddruk

37

Van roken kan je … krijgen.

kanker

38

Welk substantief kan je maken van breken?

de breuk

39

Als ik te weinig eet dan voel ik me …

slap

40

Door te zwemmen krijg je … spieren.

soepele

41

Het gevaar = het …

risico

42

Iets wat slecht is voor je gezondheid is …

schadelijk

43

Als je gehandicapt bent, dan ben je …

invalide

44

Mensen met een … hebben speciale parkeerplekken.

handicap

45

Sommige paddenstoelen zijn …, daar kan je erg ziek van worden.

giftig

46

Op eigen verantwoordelijkheid = …

op eigen risico

47

Als je iets helemaal kapot maakt, dan … je het.

verwoest

48

Iets negatiefs = iets …

nadeligs

49

Sommige mensen met een handicap zitten in een …

rolstoel

50

Inwendig = …

intern

51

Wat aan de buitenkant van je lichaam zit, zit …

uitwendig

52

Iemand die gewond is, is een …

gewonde

53

Door een harde klap op je hoofd kan … raken.

bewusteloos

54

Het bewustzijn verliezen = …

flauwvallen

55

De plaats waar zieke mensen behandeld worden, is een …

kliniek of ziekenhuis

56

Hij heeft ernstige lichamelijke problemen na een ongeluk, hij is …

zwaargewond

57

Geef de tijden van OVERBRENGEN.

bracht over, overgebracht

58

Medisch = …

geneeskundig

59

Mijn oma heeft veel zorg nodig, ze woont in een …

tehuis

60

Wetenschap die ziektes onderzoekt en ze wil genezen met medicijnen = de …

geneeskunde

61

De … in België is veel beter dan die in Afrika.

gezondheidszorg

62

Zorg door de overheid georganiseerd voor mensen die hulp nodig hebben = de …

hulpverlening

63

In een ziekenhuis heb je dokters en …

verpleegkundigen

64

Een synoniem voor verpleegster is een …

zuster

65

Als je tandpijn hebt dan ga je naar de …

tandarts

66

Als je pijn hebt dan ga je naar de … in je buurt.

huisarts/huisdokter

67

Een dokter voor je ogen is een …

oogarts

68

Mensen die geestelijk ziek zijn gaan naar de …

psychiater

69

Als je een depressie hebt, dan ga je in … bij een psychiater.

therapie

70

Bij de dokter wacht je in de …

wachtkamer

71

Een test doen bij iemand = …

testen

72

Medicijnen worden getest op …

proefpersonen

73

Een onderzoek om te zien hoe goed iets is, is een …

keuring

74

Als de tandarts je tanden nakijkt, dan voert hij een … uit.

controle

75

Geef de tijden van SPUITEN.

spoot, gespoten

76

De prik = een …

spuitje

77

Als de dokter aan huis komt, dan is hij …

op ronde

78

Moeite doen en aandacht geven aan iemand = …

zorgzaam

79

Een medicijn dat je drinkt = een …

drankje

80

Een platte pil = een …

tablet

81

Als je veel fruit eet, dan krijg je veel … binnen.

vitamines

82

Als je een kapotte knie hebt, dan kleef je er een … op.

pleister

83

Als je een gebroken arm hebt dan krijg je een …

gips

84

Een medicijn om te voorkomen dat je ziek wordt = een …

vaccin

85

Als je hoofdpijn hebt, dan neem je een …

aspirine

86

Een soort medicijn om op je huid te smeren

zalf

87

Een stuk stof dat je om een wonde doet = een …

verband

88

Als je griep hebt dan schrijft de dokter … voor (medicijn).

antibioticum

89

Als een medicijn stopt met werken, wat doet het dan?

uitwerken

90

Het recept = het …

voorschrift

91

De chirurg voert de … uit.

operatie

92

Als ik last heb van stijve spieren, dan … mijn vriend mij.

masseert

93

Beter maken = …

genezen

94

Welk substantief kan je van “verbeteren” maken?

verbetering

95

Welk substantief kan je van “genezen” maken?

genezing

96

Anticonceptie voor de vrouw om niet zwanger te worden = de …

pil

97

Anticonceptie die de man gebruikt = een …

condoom

98

Een vaccin is een … maatregel, zo word je niet ziek.

preventieve

99

Als een vrouw een kindje in haar buik heeft, dan is ze …

zwanger

100

Een … bij vrouwen duurt ongeveer 9 maanden.

zwangerschap

101

Een zwangere vrouw hoeft niet te werken, ze krijgt …

zwangerschapsverlof

102

Welk substantief kan je van “bevallen” maken?

bevalling

103

Als je je zwangerschap wil stoppen dan doe je een …

abortus

104

Ik ben …, want ik kan kinderen krijgen.

vruchtbaar

105

De zorgverzekering = het …

ziekenfonds

106

Het officiële papier waarop staat dat iets echt of waar is = het …

attest

107

Als je niet gezond genoeg bent om te werken, dan ben je …

arbeidsongeschikt

108

Nuchter >

dronken

109

Iets wat je kan drinken is de …

drank

110

Ze kan echt niet zonder een fles wijn per dag, ze is echt …

verslaafd

111

De … van Cuba zijn heel erg bekend en rook ik het liefst.

sigaren

112

Softdrug >

harddrug

113

Hij koopt veel …, want hij maakt zijn eigen sigaretten.

tabak

114

In België is het … zeer streng, drugs is hier streng verboden.

drugsbeleid

115

Zalf zit in een ...

tube