TW23 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW23 A1 > Flashcards

Flashcards in TW23 A1 Deck (75):
1

Monopoly is een … geldspel.

soort

2

Op school leren we lezen, schrijven, spreken, … .

enzovoort

3

Als je je wil inschrijven, dan moet je je naam op de … zetten.

lijst

4

Het is … dat je optimistisch bent in het leven.

belangrijk

5

Wat is het … tussen jou en je zus?

verschil

6

minimaal >

maximaal

7

Je moet ten … 2 uur per dag leren!

minste

8

… jij een eigen auto?

Heb

9

Woon je nog bij je familie of heb je al een … huis?

eigen

10

Dat boek is … mij, ik heb het gekregen.

van

11

… was je gisteren niet op school? … ik ziek was.

Waarom (...) Omdat (...)

12

De sneeuw was de … van het accident.

oorzaak

13

… een ongeluk kan hij niet meer werken.

Wegens / Door

14

… het regende, moesten we stoppen met tennissen.

Omdat

15

Hoofdpijn is vaak het … van stress.

gevolg

16

Als je niet goed studeert, dan heeft dat slechte … . Dan heb je een slecht resultaat!

consequenties / gevolgen

17

Waarom is ze verdrietig? = Wat is de … van haar verdriet?

reden

18

Jessie is ziek en … kan ze niet naar school komen.

daarom

19

Ik studeer altijd met mijn vrienden. We zitten dan … aan tafel.

samen

20

Ik ga … mijn ouders op vakantie want ik wil niet alleen gaan.

met

21

Ik wil geen suiker in mijn koffie. Ik drink koffie … suiker.

zonder

22

Ik heb de documenten … de fax ontvangen.

via

23

Wat is er … ? Ben je gevallen?

gebeurd

24

Ik heb de krant niet helemaal gelezen. Ik heb slechts een … gelezen.

deel

25

Ik … het paswoord van mijn computer elke maand.

verander

26

Het … van mijn test is 10/10!

resultaat

27

de toestand = …

de situatie

28

Die muts en die sjaal … bij elkaar.

horen

29

Wil je koffie … thee?

of

30

Is dat … ? Ik geloof dat niet!

zo

31

Onze nieuwe leerkracht is heel … dan de vorige! Hij is veel liever!

anders

32

Wij hebben heel … karakters. Hij is heel optimisitsch en ik ben heel pessimistisch!

verschillende

33

Ik heb ... broek gekocht als die van jou, ik vind het een mooie broek.

dezelfde

34

oud >

jong

35

groot >

klein

36

kort >

lang

37

laag >

hoog

38

slecht >

goed

39

Het zijn groenten van goede … , daarom zijn ze ook wat duurder.

kwaliteit

40

ideaal = …

perfect

41

veilig >

gevaarlijk

42

moeilijk >

(ge)makkelijk

43

hard >

zacht

44

licht >

zwaar

45

vol >

leeg

46

Stromae is een … zanger. Iedereen kent hem!

bekende

47

Na de film is Julie … naar huis gegaan. Ze was heel moe.

direct

48

voldoende = …

genoeg

49

Een dokter moet zijn werk heel … doen, hij mag geen fouten maken.

precies

50

Elke automobilist moet de … regels kennen van het verkeer.

algemene

51

Je kunt hier … cash betalen. Met de kredietkaart is het niet mogelijk.

enkel

52

Vul het formulier … in. Alles moet correct zijn!

juist

53

Een mojito heeft een … smaak. Je herkent het direct!

typische

54

normaal >

vreemd / abnormaal

55

vreemd >

normaal

56

speciaal = …

bijzonder

57

Ik ben het … om vroeg op te staan, want ik doe het elke dag.

gewoon

58

vreselijk = …

verschrikkelijk

59

Je vloekt elke dag. Dat is echt … !

erg

60

heel = … = erg

zeer

61

prettig = …

fijn

62

We hebben een … tijd met hem gehad. Het was heel leuk!

plezierige / geweldige

63

schitterend = …

prachtig

64

Het is … dat hij boos is. Hij lacht niet!

duidelijk

65

Wiskunde is heel … . Ik vind de opdrachten altijd heel moeilijk.

ingewikkeld

66

Weet je … oud hij is? -Hij is 27 jaar oud.

hoe

67

Alice heeft het probleem op een slimme … opgelost!

manier

68

Het is zomer, maar … is het koud!

toch

69

… als ik genoeg heb geslapen, ben ik 's morgens nog heel moe!

Zelfs

70

meestal = …

gewoonlijk

71

tamelijk = …

nogal

72

Als het sneeuwt, zijn de straten … wit!

helemaal

73

Mijn zus ziet er heel normaal uit. = mijn zus ziet er heel … uit.

gewoon

74

Deze trui is niet duur. Ze kost … 1 euro!

slechts

75

enkel = …

alleen