TW16 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW16 A2 > Flashcards

Flashcards in TW16 A2 Deck (59):
1

alle fabrieken bij elkaar = …

de industrie

2

vanzelf = …

automatisch

3

Hij is zo sterk; hij heeft zo veel …

kracht

4

een soort met specifieke kenmerken = …

het type

5

repareren = …

herstellen

6

Kennis en hulpmiddelen die nodig zijn om bijvoorbeeld apparaten, machines te ontwerpen, te laten werken en te herstellen

de techniek

7

hierin kun je een knoop leggen = …

het touw

8

alles waarvan iets gemaakt is = …

het materiaal

9

In mijn kamer staan een bed, een kleerkast en een …

bureau

10

Als mensen contact met je kunnen maken, dan ben je …

bereikbaar

11

het bestuur = …

de leiding

12

"Hallo, ik ben er nu niet. Laat een bericht achter op mijn …"

antwoordapparaat

13

hiermee kan je een bericht op papier via de telefoon versturen = …

de fax

14

Wat zijn de tijden van FAXEN?

faxte, heeft gefaxt

15

Wat zijn de tijden van OPSTELLEN?

stelde op, heeft opgesteld

16

Als je naar een lezing luistert en ondertussen dingen opschrijft, dan … je ... van de lezing.

neem (je) nota

17

Wat zijn de tijden van INZIEN?

zag in, heeft ingezien

18

Hier worden papieren en documenten bewaard voor lange tijd = …

het archief

19

Wat zijn de tijden van TOT STAND BRENGEN?

bracht tot stand, heeft tot stand gebracht

20

Het moment waarop je 's middags pauzeert = …

de lunchpauze

21

Met dit elektrisch apparaat kan je koffie maken = …

het koffiezetapparaat

22

het kopen en verkopen = …

de handel

23

de verkoper = …

de handelaar

24

Ik heb hem mijn boek gegeven en hij mij zijn horloge; we hebben …

geruild

25

invoeren >

uitvoeren

26

de vraag >

het aanbod

27

Wat zijn de tijden van AANVULLEN?

vulde aan, heeft aangevuld

28

particulier = …

privé

29

de manier waarop iets gebeurt = de … van ...

(de) gang (van) zaken

30

We zitten in een restaurant en de ober komt meteen om onze … op te nemen.

bestelling

31

het verlies >

de winst

32

Wat zijn de tijden van VOORZIEN IN?

voorzag in, heeft voorzien in

33

inbegrepen = …

inclusief

34

inclusief >

exclusief

35

mankeren = …

ontbreken

36

informatie over een product die je tot kopen aanzet = …

de reclame

37

oprichten = …

opzetten

38

We moeten proberen de klanten zo goed mogelijk te …

bedienen

39

Wat je kunt betalen, is …

betaalbaar

40

het bankbiljet = …

het briefje

41

opbrengen = …

opleveren

42

Het kost 20 euro. Het … is dus 20 euro.

bedrag

43

de creditcard = …

de kredietkaart

44

de bankpas = …

de bankkaart

45

een geheime cijfercombinatie, onder andere op je gsm = …

de pincode

46

overmaken = …

overschrijven / gireren

47

de acceptgirokaart = …

het overschrijvingsformulier

48

de bankmedewerker = …

de bankbediende

49

het filiaal = …

de vestiging

50

de kluis = …

de safe

51

geld opnemen = geld …

afhalen / pinnen

52

sparen >

uitgeven / besteden

53

Hoeveel is dit huis …? Ik denk zo'n 2 miljoen euro.

waard

54

de voorwaarde = …

de eis

55

Wat zijn de tijden van OPLOPEN?

liep op, heeft opgelopen

56

een bijdrage die je betaalt voor een verzekering = …

de premie

57

hiermee toon je aan dat een stukje van het bedrijf van jou is = …

het aandeel

58

hier verkoop je en koop je aandelen van een bedrijf = …

de beurs

59

het betalen = …

de betaling