TW6 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW6 B1 > Flashcards

Flashcards in TW6 B1 Deck (79):
1

1. de bouw = de …

constructie

2

2. een steen waarmee je een huis kan bouwen = de …

baksteen

3

3. een grote, ronde steen = de …

kei

4

4. in de badkamer liggen er blauwe … in de grond.

tegels

5

5. welk substantief herken je nog in het substantief architect?

de architectuur

6

6. we zoeken een … die een zwembad kan bouwen in onze tuin.

aannemer

7

7. we gaan … : we willen een grote, nieuwe keuken!

verbouwen

8

8. nu alle ramen en deuren geschilderd zijn, is het huis weer …!

opgeknapt

9

9. vernieuwen = …

renovere

10

10. slopen = …

afbreken

11

11. tijdens de oorlog zijn vele gebouwen … .

ingestort

12

12. niet verzorgen of niet goed verzorgen = …

verwaarlozen

13

13. ik moet een gat in de muur … om dat schilderij op te hangen.

boren

14

14. met een … kan je verven.

kwast of verfborstel

15

15. de begane grond = de …

benedenverdieping

16

16. we gaan vanavond naar de disco. De … is gratis!

toegang

17

17. is het gebouw ook … voor mensen met een rolstoel?

toegankelijk

18

18. de hek = de schutting = de …

omheining

19

19. een huisje in de tuin = het …

tuinhuisje

20

20. een villa is een … huis, omdat er geen andere huizen tegen staan.

vrijstaand

21

21. de benedenwoning = het …

benedenhuis

22

22. de bovenwoning = het …

bovenhuis

23

23. een huis dat tegen een ander huis staat = het …

rijtjeshuis

24

24. een woning op het water = de …

woonboot

25

25. buiten je huis = …

buitenshuis

26

26. geld dat je van de overheid krijgt om je huur te helpen betalen = de …

huursubsidie

27

27. welk substantief kan je vormen met het verbum verhuizen?

de verhuizing

28

28. als er wordt …, dan hoor je 'ding dong'.

aangebeld

29

29. hang je jas aan de …

kapstok

30

30. de kapstok is een …

haak

31

31. een mooie kamer waar je gasten ontvangt. = het

salon

32

32. een soort tafel in de keuken waarop je bijvoorbeeld groenten snijdt. = het …

aanrecht

33

33. een ruimte in huis waar je spullen bewaart = de …

berging

34

34. het wc-papier = het …

toiletpapier

35

35. de wastafel = de …

wasbak

36

36. als je je huis goed …, dan kun je energie besparen.

isoleert

37

37. een tafel, een stoel, een kast = het …

meubel

38

38. modern >< …

antiek

39

39. het tapijt = het …

vloerkleed

40

40. de wekker staat op het … naast mijn bed.

nachtkastje

41

41. de fauteuil = de …

zetel

42

42. het deel van de stoel waar je tegen kunt leunen = de …

leuning

43

43. het tafelkleed = het …

tafellaken

44

44. zijn er problemen met de … ? Het water ziet er niet goed uit!

waterleiding

45

45. een brood bak je in een … .

oven

46

46. de magnetron = de …

microgolfoven

47

47. de diepvries = de …

diepvriezer

48

48. een kast waarin je kleren liggen of hangen = de …

kleerkast

49

49. een kast waarin de boeken staan = de …

boekenkast

50

50. welk verbum kan je vormen met het substantief verlichting?

verlichten

51

51. als je … gaat, dan moet je opstaan!

wekker

52

52. de illustratie = de …

prent

53

53. zonder je in te spannen, zonder moeite, rustig = op … …

je gemak

54

54. eenvoudig, zonder luxe =…

sober

55

55. warm en gezellig = …

huiselijk

56

56. de inrichting = het …

interieur

57

57. welk adjectief kan je vormen met het substantief huishouden?

huishoudelijk

58

58. gebruiken = …

hanteren

59

59. praktisch = …

handig

60

60. de wasautomaat = de …

wasmachine

61

61. het product dat je gebruikt om de was te doen = het …

wasmiddel

62

62. de droogtrommel = de droogkast = de …

wasdroger

63

63. de afwasmachine = de …

vaatmachine

64

64. iets droog maken = …

afdrogen

65

65. de theedoek = de …

keukenhanddoek

66

66. na het eten moet je de tafel …

afruimen

67

67. met veel rommel= …

rommelig

68

68. de strijkbout = het …

strijkijzer

69

69. uitzetten = …

afzetten

70

70. de vuilnisbak = de …

prullenbak

71

71. in de prullenbak gooien = …

weggooien

72

72. stofzuigen doe je met een …

stofzuiger

73

73. een natte doek om de vloer schoon te maken = de …

dweil

74

74. herstellen = …

repareren

75

75. gebruiken tot het kapot is = …

verslijten

76

76. naaien doe je met een naald en een …

draad

77

77. knippen doe je met een …

schaar

78

78. je kan vuur maken met een lucifer, maar ook met een …

aansteker

79

79. je sigaretten doe je in de …

asbak