TW19 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW19 A1 > Flashcards

Flashcards in TW19 A1 Deck (75):
1

De … stamt af van de aap.

mens

2

Wij gaan graag wandelen in de …

natuur

3

het voorwerp / het object =

het ding

4

Omdat de … schijnt, gaan we naar het strand.

zon

5

We moeten zuinig zijn op de … waarin wij leven.

wereld

6

Ze had frisse … nodig, dus liep ze naar buiten.

lucht

7

Deze lamp geeft te weinig …

licht

8

licht >

donker

9

De stroom is uitgevallen, dus we zitten in het …

donker

10

Ik wil op vakantie naar een warm …

land

11

Ik sta met beide benen op de …

grond

12

Het … druppelt uit de kraan.

water

13

De Seine is een grote … in Fankrijk.

rivier

14

Het water is hier zo …, dat ik niet meer kan staan.

diep

15

De Mount Everest is een hele hoge …

berg

16

Als een land plat is, zonder bergen, is het…

vlak

17

We gaan naar het strand om lekker te zwemmen in de …

zee

18

In de jungle is er meestal een tropisch …

klimaat

19

Nederland ligt ten … van België.

noorden

20

het westen >

het oosten

21

De warmere landen liggen in het …

zuiden

22

De zomer vind ik een leuker … dan de winter.

seizoen

23

In de … bloeien de bloemen.

lente

24

In de … vallen de bladeren van de bomen.

herfst

25

de zomer >

de winter

26

Het … in België is niet altijd mooi. Vaak is het koud en regent het.

weer

27

warm >

koud

28

Het is een beetje koud, het is …

fris

29

nat >

droog

30

Geef de tijden van REGENEN?

regenen, regende, heeft geregend

31

Het weer is erg … voor de tijd van het jaar. Het is niet koud en er staat weinig wind

zacht

32

koud >

warm

33

De zon schijnt, het is … weer.

mooi

34

De … is vandaag grijs en er zijn veel wolken. Ik denk dat het gaat regenen.

lucht

35

De bomen bewegen heen en weer, er is veel …

wind

36

Is dit horloge van … goud?

echt

37

Deze stoel is van zeer goede …

kwaliteit

38

Joris pakt een pen en schrijft zijn naam op het lege vel …

papier

39

Ik heb de spiegel gebroken. Er liggen nu allemaal stukjes … op de grond.

glas

40

De schuur stond in brand. Het … verspreidde zich snel.

vuur

41

In de … hebben we een vijver met veel vissen.

tuin

42

Het ... van de tuin is groen.

gras

43

In de zomer gaan we vaak gezellig in het … zitten.

park

44

Er zijn veel bomen omgehakt in het …

bos

45

In de tuin staat een grote … waar appels in groeien.

boom

46

De jongen heeft een … geplukt voor zijn vriendin.

bloem

47

We eten vanavond aardappels, vlees en …

groente

48

Om gezond te blijven, moet je veel water drinken en veel groente en … eten.

fruit

49

In de zoo zijn er veel verschillende …

dieren

50

Een dier dat kan vliegen is een …

vogel

51

De … heeft een ei gelegd.

kip

52

's Ochtends eet ik graag een gebakken …

ei

53

Geef de tijden van VLIEGEN?

vliegen, vloog, heeft gevlogen

54

Ik drink graag … die vers van de koe komt.

melk

55

Welk dier is Garfield?

een kat

56

Ik ga mijn … (dier) uitlaten.

hond

57

In de keuken liep een kleine … die de kaas had opgegeten.

muis

58

De hond liet een … van modder achter door het huis.

spoor

59

De … zwemt rondjes in het aquarium.

vis

60

Een … is kleiner dan een stad.

dorp

61

Antwerpen is een grote … in Vlaanderen.

stad

62

een stad of dorp =

de plaats

63

een deel van een land =

het gebied

64

rustig >

druk

65

Hoeveel … heeft dit dorp?

inwoners

66

In welke … woon je?

straat

67

Voor de kerk ligt een groot … met een standbeeld in het midden.

plein

68

Als het mooi weer is gaan we naar het … met de kinderen.

park

69

Fruit en groenten koop ik vaak op de …, want dat is goedkoper.

markt

70

de wc =

het toilet

71

Ik heb liever hout dan plastic, hout is een … materiaal.

natuurlijk

72

Geef de tijden van BESCHERMEN?

beschermen, beschermde, heeft beschermd

73

Geef de tijden van VERDWIJNEN?

verdwijnen, verdween, is verdwenen

74

Je hand boven het vuur houden is …

gevaarlijk

75

… gooi je in de prullenbak.

Afval