TW24 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW24 B1 > Flashcards

Flashcards in TW24 B1 Deck (84):
1

Welk subsantief kan je vormen met het verbum communiceren?

de communicatie

2

Als je niet goed weet waarover te praten, dan zijn hobby's en interesses goede …

gespreksonderwerpen

3

Zwijg, je onderbreekt me steeds! Laat me nu eens … !

uitpraten

4

De … voor een studiebeurs moet je naar Brussel opsturen.

aanvraag

5

Sommige mensen vinden het moeilijk om hun gevoelens te … .

uiten

6

Welk substantief kan je vormen met het verbum uiten?

de uiting

7

Welk verbum kan je vormen met het substantief formulering?

formuleren

8

Welk verbum kan je maken met het substantief de inleiding?

inleiden

9

kritiek, opmerkingen = …

de/het commentaar

10

Marina … vaak … over hoe rijk haar vader is.

schept (vaak) op

11

een hele domme fout = een …

blunder

12

verzekeren = …

garanderen

13

Als je zegt dat iets waar is, dan … je dat.

bevestig

14

Praten met je mond bijna dicht waardoor de mensen je moeilijk of niet kunnen verstaan. = …

mompelen

15

babbelen = …

kletsen

16

roddelen = …

kletsen

17

voorstellen = …

suggereren

18

Als je iets goedkeurt, dan … je iets … .

sta (je iets) toe

19

Iemand die spreekt in de plaats van een bepaalde persoon of organisatie = een ...

woordvoerder

20

Wie goed, gemakkelijk en duidelijk spreekt is …

welbespraakt

21

schriftelijk >

mondeling

22

kwetsen = …

beledigen

23

Toen ze boos was, … ze hard 'godverdomme!'

vloekte

24

Als je onvriendelijke en beledigende dingen roept, dan ben je aan het …

schelden

25

Welk substantief kan je vormen met het verbum beweren?

de bewering

26

Welk substantief kan je vormen met het verbum bevelen?

het bevel

27

Het feit dat je moe was, … je afwezigheid niet!

rechtvaardigt

28

iets meedelen, bekendmaken = iets …

overbrengen

29

voor meer informatie kan u zich … tot het secretariaat.

wenden

30

het plezier = de lol = …

de gein

31

uitkijken naar = …

zich verheugen op

32

proost! = … !

schol

33

We kunnen Jan nu niet … . Hij zit in een belangrijke vergadering.

storen

34

snappen = begrijpen = …

vatten

35

Vooraleer we aan iets nieuws beginnen, gaan we dit hoofdstuk eerst …

afronden

36

Hij … het meisje als 'een lief en mooi meisje met blond haar'.

omschrijft

37

verklaren, verduidelijken = …

toelichten

38

het standpunt = de opvatting = het oordeel = …

de opinie

39

Ik wil je niets vertellen over mijn privéleven. Dat … je niets … .

gaat (je niets) aan

40

over, wat betreft = …

omtrent

41

jawel = …

welles

42

welles >

nietes

43

het eens zijn met iets, iets goedkeuren = … met

instemmen (met)

44

Het is mijn eigen schuld, ik … mezelf dat ik niet genoeg gestudeerd heb.

verwijt

45

Welk substantief kan je vormen met het verbum verwijten?

het verwijt

46

Ik heb geen hekel aan Nederlands, … . Ik hou van Nederlands!

integendeel

47

Ik hou meer van blauw dan van rood. = Ik … blauw boven rood.

verkies

48

jammer = …

spijtig

49

Ik vind het heel erg voor jou. = Ik heb … … jou.

medelijden met

50

Je mag deze zaal niet binnengaan. = Je mag deze zaal niet … .

betreden

51

goedkeuren dat iets gebeurt, goedvinden = …

toestaan

52

Wij zijn nog niet … aan kinderen. Misschien over een paar jaar.

toe

53

het voorstel = …

de suggestie

54

raad geven = …

adviseren

55

aanraden = …

aanbevelen

56

Op … van Lisa heb ik een pizza geproefd van Da Giovanni. Ze zei dat ik het zeker eens moest proberen.

aanraden

57

We kunnen niet heel de dag op de bus blijven wachten. … gaan we wel te voet naar school!

Desnoods

58

Welk substantief kan je vormen met het verbum uitleggen?

de uitleg

59

Behalve Bas was iedereen aanwezig. = Met … … Bas was iedereen aanwezig.

Met uitzondering van

60

de klinker = …

de vocaal

61

de medeklinker = …

de consonant

62

de diftong = …

de tweeklank

63

de syllabe = …

de lettergreep

64

de nadruk = …

de klemtoon

65

beklemtonen = …

accentueren

66

het artikel = …

het lidwoord

67

het substantief = …

het zelfstandig naamwoord

68

het adjectief = …

het bijvoeglijk naamwoord

69

het adverbium = …

het bijwoord

70

de prepositie = …

het voorzetsel

71

de interjectie = …

het tussenwerpsel

72

de comparatief = …

de vergelijkende trap

73

de superlatief = …

de overtreffende trap

74

Als je zegt dat iets niet waar is, dan … je dat.

ontken

75

het onderwerp = …

het subject

76

het pronomen = …

het voornaamwoord

77

',' = …

de komma

78

'?' = …

het vraagteken

79

'!' = …

het uitroepteken

80

'(' = …

het haakje

81

aanhalen = …

citeren

82

Welk verbum kan je vormen met het substantief afleiding?

afleiden

83

'kat' en 'poes' zijn …

synoniemen

84

het antoniem = …

het tegenovergestelde