TW19 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW19 A2 > Flashcards

Flashcards in TW19 A2 Deck (111):
1

Het ding =

het voorwerp

2

Overdag schijnt de zon, 's nachts zie je de …

maan

3

Ik heb gisteren 's nachts een vallende … gezien.

ster

4

In de zomer … de zon om 6 uur op.

komt

5

De lucht is vandaag blauw en … (zonder wolken)

helder

6

Geef de tijden van SCHIJNEN?

schijnen, scheen, heeft geschenen

7

Er staan veel sterren aan de …

hemel

8

De raket wordt de … in gestuurd om onderzoek te doen.

ruimte

9

glimmen =

blinken

10

Ik heb het warm in de zon, ik ga in de … van de boom zitten.

schaduw

11

Doe eerst wat … in de bloempot, voor je de plant erin zet.

aarde

12

de rivier =

de stroom

13

Geef de tijden van LOPEN?

lopen, liep, heeft gelopen

14

De … van de berg ligt op 3400 meter.

top

15

Een kleine berg is een ...

heuvel

16

Het dorp ligt in het … tussen de bergen.

dal

17

vlak =

plat

18

Bij de buurman is een … door de ruit gegooid.

steen

19

We zijn gisteren naar het strand geweest. De kinderen hebben in het … gespeeld.

zand

20

Het stormt en de zee maakt hoge …

golven

21

een stuk land in de zee of oceaan =

het eiland

22

Oostende ligt aan de …

kust

23

Het is mooi weer, dus we gaan zonnen op het …

strand

24

tussen het noorden en het oosten =

het noordoosten

25

tussen het noorden en het westen =

het noordwesten

26

tussen het zuiden en het oosten =

het zuidoosten

27

tussen het zuiden en het westen =

het zuidwesten

28

Volgens het … valt er morgen veel regen en wordt het maar 5°.

weerbericht

29

Het wordt warm weer met een … van 25°.

temperatuur

30

de lente =

het voorjaar

31

de herfst =

het najaar

32

het cijfer dat de temperatuur uitdrukt =

de graad

33

de warmte >

de kou(de)

34

Er valt al de hele dag …, overal liggen plassen water.

regen

35

Als het vriest, verandert het water in …

ijs

36

koud >

warm

37

heel erg warm =

heet

38

Er staan veel donkere … aan de hemel, het zal zo wel gaan regenen.

wolken

39

Geef de tijden van WAAIEN?

waaien, waaide, heeft gewaaid.

40

Ik voel …, staat er een raam of deur open?

tocht

41

sterk, hard, hevig =

fel, erg, heftig, krachtig

42

de hoogste temperatuur =

de maximumtemperatuur

43

de laagste temperatuur =

de minimumtemperatuur

44

Deze stoel is van verschillende … gemaakt: ijzer en plastic.

materialen

45

een gas, vloeistof, massa =

stof

46

Dit boek … … 25 hoofdstukken.

bestaat uit

47

Geef de tijden van BEVATTEN?

bevatten, bevatte, heeft bevat

48

De buitenkant van een trein is gemaakt van …

metaal / ijzer

49

De trouwring is van …

goud

50

Goed bestek (= mes, vork en lepel) is gemaakt van …

zilver

51

Bij de Delhaize krijg je een … zakje om je boodschappen in te doen.

plastic

52

Banden zijn gemaakt van …

rubber

53

Mijn oom maakt zelf tafels en stoelen van …

hout

54

Deze schoenen zijn van echt …

leer

55

Er hangt een … aan mijn nieuwe trui. Die moet ik eraf knippen.

draad

56

Een zachte, gladde stof gemaakt door rupsen =

zijde

57

Een T-shirt is gemaakt van …

katoen

58

de elektriciteit =

de stroom

59

Een schip heeft … verloren, waardoor veel dode dieren zijn aangespoeld op het strand.

olie

60

De prijs van het … gaat weer omhoog. We moeten de verwarming wat lager zetten.

gas

61

Een auto rijdt op gas, diesel of …

benzine

62

Geef de tijden van BRANDEN?

branden, brandde, heeft gebrand

63

wanneer vuur ontstaat zonder dat je dat wilt =

brand

64

De jongen blaast de … van zijn sigaret uit.

rook

65

In een … laboratorium worden nieuwe stoffen uitgevonden.

chemisch

66

aarde, water, lucht of vuur =

een element

67

de manier waarop iets is opgebouwd =

de structuur

68

Als je rode en blauwe verf …, krijg je paars.

mengt

69

Een taal leren is een … dat tijd kost.

proces

70

Wetenschappers houden zich bezig met de … van nieuwe medicijnen.

ontwikkeling

71

Water is een doorzichtige …

vloeistof

72

Als water bevriest, krijg je een … stof: ijs.

vaste

73

Als de plant water krijgt, gaat hij …

groeien

74

de boer >

de boerin

75

Een belangrijk … uit België zijn de frieten.

product

76

de tuin voor het huis =

de voortuin

77

Telkens als ik een … weggooi, gaat de hond die weer halen.

tak / stok

78

Voor mijn moeders verjaardag heb ik een … bloemen gekocht.

bos

79

het dier =

het beest

80

Wat voor … hebben jullie thuis? Wij hebben een kat.

huisdier

81

De poes is bevallen van 5 …

jongen

82

de kip =

de hen

83

Het liefst drink ik de melk vers van de …

koe

84

een mannelijke koe =

de stier

85

De kar werd getrokken door 2 …

paarden

86

Er hangt een vieze … in de wc.

geur

87

de kat =

de poes

88

het hoofd van een dier =

de kop

89

Als ik in het park ga wandelen, moet de hond aan de …

lijn

90

mieren en muggen zijn voorbeelden van …

insecten

91

Vroeger moesten de mannen op … gaan om te zorgen voor eten.

jacht

92

In de dierentuin kun je … dieren zien.

wilde

93

Geef de tijden van VANGEN?

vangen, ving, heeft gevangen

94

In het aquarium zitten veel verschillende …

vissen

95

De ... van een kreeft kun je niet eten.

schaal

96

eten geven =

voeren

97

Er staat een houten … om de tuin.

hek

98

Als het slecht weer is, staan de paarden in de …

stal

99

De firma wil zich nu ook in Frankrijk gaan …

vestigen

100

een hard en vervelend geluid =

het lawaai

101

bestaan, ergens zijn =

voorkomen

102

Geef de tijden van BEHOUDEN?

behouden, behield, heeft behouden

103

De student zoekt een kot in de … van Antwerpen.

omgeving

104

Ik hou veel van de natuur, dus ik vind dat het … goed beschermd moet worden.

milieu

105

een mens, dier of plant =

het wezen

106

Welke … vissen heb jij allemaal in je aquarium?

soorten

107

De olifant … te verdwijnen.

dreigt

108

Geef de tijden van BIJDRAGEN?

bijdragen, droeg bij, heeft bijgedragen

109

We hebben een … voor bedreigde diersoorten georganiseerd.

actie

110

Boven het vuur hing een wolk van zwarte …

rook

111

We liepen zonder paraplu door de …, we werden dus nat.

regen