TW2 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW2 A1 > Flashcards

Flashcards in TW2 A1 Deck (43):
1

Een hoed zet je op je …

hoofd

2

Lekker eten ruik je met je…

neus

3

Muziek luisteren doe je met je…

oren

4

Iemand die niet veel zegt, houdt vaak zijn …

mond

5

Je vingers zitten aan je …

hand

6

Een vrouw haar … wordt dik wanneer ze zwanger is.

buik

7

Een voet telt … tenen.

vijf

8

Ik hou van jou met heel met mijn …

hart

9

Man >

vrouw

10

Dood >

leven

11

Moeder >

vader

12

Meisje >

jongen

13

Mijn oma stierf op de … van 88 jaar.

leeftijd

14

Oud >

jong

15

Wat zijn de tijden van ZIEN?

zag, gezien

16

Een … draag je op je neus.

bril

17

Wat zijn de tijden van HOREN?

hoorde, gehoord

18

Hard >

zacht

19

Heerlijk van smaak = …

lekker

20

Fris = …

koel

21

Van plaats veranderen = …

bewegen

22

Een taart … je in acht stukken.

verdeel

23

Lopend = …

te voet

24

Niet op één plaats blijven = …

weggaan

25

Snel = …

vlug/gauw

26

Wat zijn de tijden van MEEGAAN?

ging mee, meegegaan

27

Wanneer je uit een auto komt, dan … je …

stap je uit

28

Wat zijn de tijden van BRENGEN?

bracht, gebracht

29

Marie is van haar fiets …. Haar knie bloedt.

gevallen

30

Nemen = …

pakken

31

Je gaat een kamer binnen via de ....

deur

32

Wat zijn de tijden van ZITTEN?

zat, gezeten

33

Als je … bent, moet je slapen.

moe

34

Als je niet slaapt, ben je …

wakker

35

Kun je me de weg naar het postkantoor … ?

wijzen

36

Wat zijn de tijden van LEIDEN?

leidde, geleid

37

Mooi >

lelijk

38

Klein >

groot

39

Dun >

dik

40

Kort >

lang

41

Je kunt je wassen in een bad of in de …

douche

42

Schoon >

vuil

43

Iemand die je haren knipt, is een …

kapper / kapster