TW10 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW10 A2 > Flashcards

Flashcards in TW10 A2 Deck (60):
1

De tijd waarin ik niet voor school werk is … …

vrije tijd

2

De school heeft in het weekend twee leuke … gepland.

activiteiten

3

Ik … … tennis.

doe aan

4

ik vind vooral wiskunde interessant = ik … … vooral … wiskunde

interesseer me (vooral) voor

5

de interesse = …

de belangstelling

6

plezier hebben = … …

plezier maken

7

de disco = …

de discotheek

8

Ik … liever … Ik ga niet zo graag uit.

blijf (liever) thuis

9

Ik ga graag naar een … van The Rolling Stones.

concert

10

Iets wat gebeurt is een …

gebeurtenis

11

de stichting = de …

vzw

12

Ik ben … bij deze club.

lid

13

Ik steun deze club dus ik betaal een …

bijdrage

14

bij elkaar brengen = …

verzamelen

15

Ik speel viool, een klassiek …

instrument

16

wat zijn de tijden van TEKENEN?

tekende, heeft getekend

17

Een schilder … een schilderij.

schildert

18

De foto's werden gemaakt en … door de fotograaf.

ontwikkeld

19

Klaas staat helemaal vooraan, hij staat op de …

voorgrond

20

Jan zie je bijna niet op de foto staan, hij staat op de …

achtergrond

21

Op de computer heb je … nodig.

internet

22

Barbie is een …

pop

23

Welk substantief kan je maken met het werkwoord 'spelen'?

spel

24

Bij deze … moet je heel moeilijke vragen oplossen.

quiz

25

Hé nu is het mijn … Jij was de vorige keer eerst.

beurt

26

met de kaarten spelen = …

kaarten

27

een pak kaarten om mee te spelen = een …

kaartspel

28

Je mag niet vals spelen, je moet de … volgen.

regels

29

Als je een wedstrijd wint, behaal je de …

overwinning

30

een prijs die je krijgt als je wint = …

de beker

31

het terrein = …

het veld

32

het beste resultaat dat iemand ooit gehaald heeft = …

het record

33

gooien = …

werpen

34

hard lopen = …

rennen

35

snel lopen als sport = …

hardlopen

36

Deze … is spannend. Ik ben benieuwd wie de snelste wielrenner is.

koers

37

sport die je in of op het water doet = …

de watersport

38

een groot bad waar je in kan zwemmen = …

het zwembad

39

De jongens dragen een … en de meisjes een … in het zwembad.

zwembroek, badpak

40

Skiën doe je alleen in de winter, het is een …

wintersport

41

groep mensen die samen aan een sport doen = …

de ploeg

42

een voetbalploeg bestaat uit 11 …

spelers

43

Als ik naar een concert ga dan zit ik in …

het publiek

44

Mensen die naast elkaar of achter elkaar in een lijn staan vormen een …

rij

45

De … waar dit feest plaatsvindt is echt groot.

zaal

46

Shakespeare schreef stukken voor het …

toneel

47

De … heeft de leiding over het maken van een film

regisseur

48

Dat wat je ziet op tv is het …

beeld

49

Een progamma dat opnieuw wordt uitgezonden is een …

herhaling

50

de zender = …

het station

51

laten zien, tonen = …

vertonen

52

Pasen is een officiële …

feestdag

53

het feestje = …

het partijtje

54

feesten = …

feestvieren

55

iemand die jarig is = …

de jarige

56

Op je … krijg je veel cadeaus en kaarten.

verjaardag

57

iets als cadeau geven = …

schenken

58

Op … krijgt mama een leuk cadeau.

Moederdag

59

Op … krijgt papa een leuk cadeau.

Vaderdag

60

meemaken = …

beleven