TW16 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW16 A1 > Flashcards

Flashcards in TW16 A1 Deck (23):
0

Een … heeft 5 vingers.

hand

2

Veel speelgoed wordt gemaakt in … in China.

fabrieken

3

aanwezig >

afwezig

4

Iemand die op een kantoor werkt en iemand anders helpt is een …

assistent

5

een apparaat waarmee je iemand kunt opbellen = …

de telefoon

6

Wat zijn de tijden van ORGANISEREN?

organiseerde, heeft georganiseerd

7

een geschreven bericht dat je iemand stuurt = …

de brief

8

Groeten en fruit kun je op de … kopen.

markt

9

de onderneming = …

het bedrijf

10

de baas van een instelling of bedrijf = …

de directeur / de directrice

11

kopen >

verkopen

12

een product in een winkel = …

het artikel (pluralis: de artikelen!)

13

sturen = …

zenden

14

… is koning. (in een winkel)

Klant

15

duur >

goedkoop

16

stijgen >

dalen

17

Wat zijn de tijden van KOSTEN?

kostte, heeft gekost

18

Als je veel dingen wilt kopen, dan moet je veel … hebben.

geld

19

Wat zijn de tijden van VERDIENEN?

verdiend, heeft verdiend

19

een bedrijf waar je geld kunt sparen = …

de bank

20

Ben is 4 jaar en hij kan al tot tien …

tellen

21

Wat zijn de tijden van BETALEN?

betaalde, heeft betaald

22

een overeenkomst met een bedrijf dat je kosten betaalt bij schade, ziekte enz.

de verzekering