TW19 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW19 B1 > Flashcards

Flashcards in TW19 B1 Deck (223):
1

het voorwerp =

het object

2

Als de zon verdwijnt achter de horizon = (verbum)

ondergaan

3

de ruimte =

het heelal, de kosmos, het universum

4

Ons zonnestelsel heeft 8 …

planeten

5

Geef de tijden van GLANZEN?

glanzen, glansde, heeft geglansd

6

de duisternis =

het duister

7

We hebben 7 … op aarde, waar Europa er een van is.

continenten, werelddelen

8

Onder het water… kun je veel vissen zien.

oppervlak

9

de grootte van een terrein =

de oppervlakte

10

niet diep =

ondiep

11

de hoogte van het water =

het peil

12

Nadat het had geregend, lagen er overal … water.

plassen

13

We hebben een … in onze tuin met mooie vissen erin.

vijver

14

een smal, ondiep riviertje =

de beek

15

Het … is gegraven om schepen door te laten varen.

kanaal

16

Een smal kanaal in de stad is een ...

gracht

17

Geef de tijden van STROMEN?

stromen, stroomde, heeft gestroomd

18

De beweging van water in één richting is een …

stroming

19

Spa komt uit een bekende … in België.

bron

20

Aan de … van de rivier zit een man te vissen.

oever

21

Met veel moeite liepen we de … berg op

steile

22

de modder =

het slijk

23

Een piramide staat in de …

woestijn

24

een heel grote zee tussen continenten =

de oceaan

25

Ze zijn gaan zonnen in de ... aan het strand.

duinen

26

een gat in de grond =

de kuil

27

In de herfst verliezen de bomen hun bladeren en worden ze …

kaal

28

De zon gaat onder aan de …

horizon

29

de catastrofe =

de ramp

30

een hevige beweging van de aarde =

de aardbeving

31

De Etna is een bekende …

vulkaan

32

de maat om warmte mee uit te drukken =

Celsius

33

In de schaduw is het lekker …

koel

34

koud en onaangenaam = ...

kil

35

Als er veel wolken in de lucht hangen en het veel regent, is het … weer.

regenachtig

36

de korte periode dat het regent, sneeuwt of hagelt =

de bui

37

Regen in de vorm van ijsballetjes =

hagel

38

Geef de tijden van OPKLAREN?

opklaren, klaarde op, is opgeklaard

39

Als de wolken en regen verdwijnen, heet dat een …

opklaring

40

Geef de tijden van VRIEZEN?

vriezen, vroor, heeft gevroren

41

nul graden Celsius = het ...

vriespunt

42

weer waarbij het vriest =

de vorst

43

Bij … op de weg moet je voorzichtig rijden.

ijzel

44

Geef de tijden van SNEEUWEN?

sneeuwen, sneeuwde, heeft gesneeuwd

45

Geef de tijden van SMELTEN?

smelten, smolt, is gesmolten

46

vallen over iets wat glad of glibberig is =

uitglijden

47

Een dag met veel zon is een … dag.

zonnige

48

met heel veel zon =

zonovergoten

49

een warm en nat klimaat =

tropisch

50

Als het … is, kun je weinig zien en moet je rustig rijden.

mistig

51

een hoge concentratie van mist die vaak ongevallen veroorzaakt = ...

de mistbank

52

dunne mist, lichte regen =

nevel

53

wild =

ruw

54

met veel wind =

winderig

55

rustig =

kalm

56

Tijdens de … is het dak van de schuur gewaaid.

storm

57

Geef de tijden van STORMEN?

stormen, stormde, heeft gestormd

58

een heel hevige en gevaarlijke wind =

de orkaan

59

Na de overstroming was er veel …

schade

60

veroorzaken =

aanrichten

61

slecht, donker weer met donder en bliksem =

het onweer

62

het harde geluid dat je hoort bij onweer =

de donder

63

het felle licht in de lucht bij onweer =

de bliksem

64

raken =

treffen

65

De bliksem is bij de buren …

ingeslagen

66

De … geeft aan hoeveel graden het is.

thermometer

67

het 'gewicht' van lucht =

de luchtdruk

68

een periode waarin het erg droog is =

de droogte

69

Als iets een beetje nat is, is het …

vochtig

70

hard regenen =

gieten

71

Als het tegelijk regent en de zon schijnt, zie je de …

regenboog

72

de stof =

de materie

73

een stof die uit de natuur komt en waar producten mee worden gemaakt =

de grondstof

74

zuiver =

puur

75

een erg hard metaal op basis van ijzer =

het staal

76

van hout gemaakt =

houten

77

van zijde gemaakt =

zijden

78

van katoen gemaakt =

katoenen

79

het zachte haar van schapen =

wol

80

Auto's rijden op benzine of ...

diesel

81

sterker of groter maken =

aanwakkeren

82

Geef de tijden van GLOEIEN?

gloeien, gloeide, heeft gegloeid

83

een brandend of gloeiend deeltje dat van vuur af vliegt =

de vonk

84

het kleinste deeltje van een stof =

de atoom

85

veranderen in =

omzetten (in)

86

Welk substantief kun je maken van 'mengen'?

het mengsel

87

De ...theorie is geschreven door Charles Darwin.

evolutie

88

Wat geen vaste vorm heeft en nat is, is …

vloeibaar

89

sterk, hard, wat niet makkelijk kapot gaat =

stevig

90

Goud en diamanten zijn voorbeelden van …

mineralen

91

De vloeren en muren van dat luxehotel zijn van …

marmer

92

Op de verlovingsring zat een enorme …

diamant

93

een roodbruin metaal =

koper

94

Grondstoffen als steenkool worden uit een … gehaald.

mijn

95

Geef de tijden van GRAVEN?

graven, groef, heeft gegraven

96

het veld =

de akker

97

de wei =

het weiland

98

Op de … vind je kippen, koeien, varkens en paarden.

boerderij

99

dat wat op het land groeit en verkocht wordt =

het product, het gewas

100

verbouwen =

kweken, telen

101

voor je plezier in de tuin werken =

tuinieren

102

iemand die voor zijn beroep de tuin verzorgt =

de tuinman

103

Geef de tijden van MAAIEN?

maaien, maaide, heeft gemaaid

104

een kleine openbare tuin, een parkje =

het plantsoen

105

een heel groot bos =

het woud

106

Als een boom ouder wordt, wordt de … steeds dikker.

(boom)stam

107

Het deel van een plant of boom dat onder de grond zit, noem je de …

wortel

108

Een tulp groeit uit een ...

bol

109

een blad of bloem die nog niet open is, noem je een …

knop

110

Geef de tijden van BLOEIEN?

bloeien, bloeide, heeft gebloeid

111

Hij kocht voor zijn vriendin een grote bos rode …

rozen

112

Nederland is het land van de …

tulpen

113

Met de eerste … begint de lente.

krokus

114

een bos bloemen =

het boeket

115

de heg =

de haag

116

Met Kerstmis zetten we altijd een versierde … in de kamer.

den

117

Op Curaçao staan er mooie grote … langs het strand.

palmbomen

118

een grassoort die in ondiep water groeit =

het riet

119

de grond die men gebruikt voor de landbouw =

de landbouwgrond

120

de boer die op akkers werkt =

de landbouwer

121

wat met landbouw te maken heeft =

argrarisch

122

het houden van dieren voor de producten ervan =

de veeteelt

123

vruchtbaar >

schraal

124

Een stof die de grond vruchtbaarder moet maken =

de (kunst)mest

125

gekweekt zonder chemische of kunstmatige producten =

biologisch

126

zaad strooien =

zaaien

127

Om brood te bakken, gebruik je …

graan

128

een soort geel graan =

de maïs

129

Als iets klaar is om te plukken en op te eten, is het …

rijp

130

Geef de tijden van OOGSTEN?

oogsten, oogstte, heeft geoogst

131

de producten die van het land komen =

de oogst

132

In de stal van het paard ligt wat …

stro

133

gedroogd gras =

het hooi

134

een hoge stapel hooi =

de hooiberg

135

Je graaft een gat met een …

schop

136

Geef de tijden van GRAVEN?

graven, groef, heeft gegraven

137

verzamelen met een hark =

harken

138

De boer reed met zijn … over het veld.

tractor

139

Basilicum is een …

kruid

140

planten die makkelijk overal groeien maar die de meeste mensen niet willen hebben =

het onkruid

141

champignon die je niet kan eten =

de paddenstoel

142

een dier waarvan de jongen melk drinken =

zoogdier

143

een wild dier dat vlees eet =

het roofdier

144

kip >

haan

145

We gaan naar het park om de … brood te voeren.

eenden

146

Met Thanksgiving eten ze in Amerika een …

kalkoen

147

Een kip komt uit een …

ei

148

Geef de tijden van VLIEGEN?

vliegen, vloog, heeft gevlogen

149

Vogels … in het gras om wormen te zoeken.

pikken

150

het huisje van een vogel =

het nest

151

Geef de tijden van MELKEN?

melken, molk, heeft gemolken

152

een jonge koe of stier =

het kalf

153

verzamelnaam voor een koe en een stier =

het rund

154

het been van een dier =

de poot

155

De hond kwispelt met zijn …

staart

156

… de hond even … Ik denk dat hij moet plassen.

Laat (de hond even) uit

157

het geluid dat een hond maakt =

blaffen

158

Geef de tijden van BIJTEN?

bijten, beet, heeft gebeten

159

Geef de tijden van JAGEN?

jagen, joeg, heeft gejaagd

160

Iemand die dieren probeert te vangen en te doden, is een …

jager

161

Dieren die vrij in de natuur leven, leven …

in het wild

162

op een paard rijden =

paardrijden

163

een vis proberen te vangen =

vissen

164

deze persoon vangt vissen =

de visser

165

De visser vangt vis met een … en schept hem uit het water met een …

hengel (...) net

166

voederen =

voeden

167

het voeder =

het voer

168

het hek =

de omheining

169

De hond slaapt achter in de tuin in zijn …

hok

170

Het vogeltje zit in zijn …

kooi

171

de zoo =

de dierentuin

172

een dokter voor dieren =

de dierenarts

173

fokken =

kweken

174

Het aantal mensen, dieren of planten in een gebied is de …

populatie

175

de streek =

de regio

176

de stad >

het platteland

177

een deel van de stad dat ver van het centrum ligt =

de buitenwijk

178

het trottoir =

de stoep

179

de herrie =

het rumoer

180

rumoerig =

lawaaierig

181

de last die door lawaai wordt veroorzaakt =

de geluidsoverlast

182

een smal straatje =

de steeg

183

een weg met bomen aan beide kanten =

de laan

184

een brede wandelweg langs de zee =

de boulevard

185

een landelijk gebied met bepaalde kenmerken =

het landschap

186

een gat in de grond waar je water uit kunt halen =

de (water)put

187

De boot gaat door de … in het kanaal.

sluis

188

Bevers bouwen net als mensen een … om het water tegen te houden.

dam

189

een soort muur langs een rivier of langs de zee om het water tegen te houden =

de dijk

190

zorgen dat iets blijft staan =

in stand houden

191

wat weinig voorkomt, is …

zeldzaam

192

De wetenschap die bestudeert hoe mensen, dieren en planten leven in een bepaalde omgeving =

de ecologie

193

een levend wezen =

het organisme

194

Als je daarvan eet, dan word je ziek of sterf je. Het is …

giftig

195

vuilmaken van het milieu =

vervuilen

196

de vervuiling =

de verontreiniging

197

verwoesten =

vernietigen

198

een gevaar vormen voor iets =

bedreigen

199

Substantief van BEDREIGEN?

de bedreiging

200

geven, veroorzaken =

toebrengen

201

wat schade veroorzaakt =

schadelijk

202

wat veroorzaakt dat je doodgaat =

dodelijk

203

Door bepaalde maatregelen minder energie verbruiken, noem je energie ….

besparen

204

een streepje licht =

de straal

205

Iemand die actie voert om een bepaald doel te bereiken =

de activist/e

206

Een vereniging die het milieu probeert te beschermen =

de milieugroep

207

een stuk land met veel natuur =

het natuurgebied

208

een andere mogelijkheid =

het alternatief

209

slecht voor het milieu >

milieuvriendelijk

210

Blijven leven na een groot gevaar of een ongeluk =

overleven

211

Een … van rode wijn krijg je niet meer uit je kleding.

vlek

212

een stof in de lucht die je inademt en nodig hebt om te overleven =

de zuurstof

213

de temperatuurstijging op aarde die het gevolg is van de vervuiling van de lucht =

het broeikaseffect

214

het afval =

het vuilnis

215

het gebruiken van goederen =

de consumptie

216

Geef de tijden van VERSPILLEN?

verspillen, verspilde, heeft verspild

217

recyclen =

recycleren

218

Geef de tijden van STORTEN?

storten, stortte, heeft gestort

219

de stortplaats =

het vuilnisbelt

220

Het substantief van verpakken?

de verpakking

221

Als ik de lege flessen terugbreng naar de winkel, krijg ik het … terug.

statiegeld

222

Lege glazen flessen en potjes doe je in de … om te laten recyclen.

glasbak

223

Het verzamelen van geld of spullen voor een bepaald doel =

inzamelen