TW14 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW14 A2 > Flashcards

Flashcards in TW14 A2 Deck (35):
1

De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn … bewezen.

wetenschappelijk

2

Ik ben een … , ik doe wetenschappelijke studies.

wetenschapper

3

De … is op zoek naar een medicijn tegen kanker.

wetenschap

4

Als je een formule gebruikt, dan … je een formule …

pas (je een formule) toe

5

de methode = ...

het systeem

6

de manier = ...

de wijze

7

Welk substantief kan je van “onderzoeken” maken?

het onderzoek

8

Wat zijn de tijden van KLAARZETTEN?

zette klaar, klaargezet

9

beslissen = ...

bepalen

10

De coach bekijkt de testen en geeft punten, hij … de testen

beoordeelt

11

met veel details = …

uitgebreid

12

Dit is een voorbeeld en het is normaal, het is dus de …

norm

13

de kwaliteit of hoogte van iets = …

niveau

14

Iemand die een presentatie geeft, is een …

spreker

15

een samenkomst om te luisteren naar lezingen over hetzelfde onderwerp = …

het congres

16

gedachten en ideeën die iets verklaren = ...

theorie

17

Wat zijn de tijden van ONTDEKKEN?

ontdekte, ondekt

18

praktisch gezien >

theoretisch gezien

19

Iets wat je erg goed doet is een …

prestatie

20

Deze professor is heel erg bekend voor zijn werk in biologie, hij is een ….

autoriteit / specialist

21

anders dan anderen zijn = …

zich onderscheiden

22

De … is de wetenschap die naar het verleden kijkt.

geschiedenis

23

iets wat met chemie te maken heeft = iets …

chemisch

24

De … bestudeert hoe mensen denken en zich gedragen.

psychologie

25

De … bestudeert hoe mensen in een maatschappij leven.

sociologie

26

Geld en handel maken deel uit van de …

economie

27

Als het apparaat niet meer werkt, dan kan er een … storing zijn

technische

28

de elektriciteit = de …

stroom

29

Geef de tijden van FUNCTIONEREN.

functioneerde, gefunctioneerd

30

De manier waarop iets werkt = …

de werking

31

Ik kan dit gemakkelijk doormidden breken, ik heb veel ... in mijn armen.

kracht

32

Welk substantief kan je van “sterk” maken?

de sterkte

33

Gebruikt worden voor iets = …

dienen (voor / tot / om)

34

Op een knop duwen = op een knop …

drukken

35

Het boekje waarin staat hoe iets werkt = …

de handleiding