TW14 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW14 B1 > Flashcards

Flashcards in TW14 B1 Deck (55):
1

Ik weeg net 70 kilo, ik weeg dus … 70 kilo

exact

2

Onderzoek volgens een bepaald systeem is … onderzoek

systematisch

3

Actief zijn in = …

beoefenen

4

De benadering = de …

aanpak

5

Ik ben … voor dit wetenschappelijke onderzoek, er wordt iets op mij getest.

proefpersoon

6

Deze regel zegt dat je dit wel en dit niet mag doen, het is een …

voorschrift

7

Iemand die onderzoek doet = een …

onderzoeker

8

Het experiment = de …

proef

9

… onderzoek probeert antwoorden te vinden door experimenten uit te voeren.

Experimenteel

10

Een groep mensen met een bepaalde taak = de …

werkgroep

11

Welk substantief kan je van “analyseren” maken?

de analyse

12

nagaan = …

checken

13

Als je 2 en 3 optelt, is de ... 5.

uitkomst

14

Wat zijn de tijden van AFWIJKEN?

week af, afgeweken

15

Iets anders dan normaal = een …

afwijking

16

niet uitgebreid = …

kleinschalig

17

Wat zijn de tijden van METEN?

mat, gemeten

18

Welk substantief kan je maken van “meten”?

de meting

19

de norm = …

de standaard

20

de lezing = …

de presentatie

21

Dit virus is een beetje anders dan het griepvirus, het is een … ervan.

variant

22

Een symbool of eigenschap met een bepaalde waarde die kan veranderen = …

de variabele

23

Wat nog niet in de praktijk bewezen is, is …

theoretisch

24

Een idee dat je wil bewijzen is een …

hypothese

25

Een duidelijk beeld van de situatie geven, is een … geven

overzicht

26

De oorsprong van iets, is de …

bron

27

Wat zijn de tijden van AANTONEN?

toonde aan, aangetoond

28

Welk substantief kan je maken van "interpreteren"?

de interpretatie

29

Iets wat uitgevonden is = een …

uitvinding

30

iets wat ontdekt is = een …

ontdekking

31

Wat zijn de tijden van TOEKENNEN?

kende toe, toegekend

32

De deskundige is een …

expert

33

Als je veel kennis hebt dan ben je heel …

geleerd

34

Iemand die veel weet door studie is een …

geleerde

35

Iemand die psychologie heeft gestudeerd is een ….

psycholoog

36

Iemand die geschiedenis gestudeerd heeft is een …

historicus / historica

37

De wetenschap die talen bestudeert is de …

taalkunde

38

De wetenschap die literatuur bestudeert is de …

letterkunde

39

De wetenschap van de levende wezens is de …

biologie

40

natuurkunde of …

fysica

41

Het kleinste deeltje van de mens, een plant of een dier is de …

cel

42

het belangrijkste deel van iets is de …

kern

43

Ik studeer …, ik wil zelf medicijnen leren maken.

farmacie

44

de scheikunde = de …

chemie

45

Alles wat met statistiek te maken heeft is …

statistisch

46

Wat met wiskunde te maken heeft is …

wiskundig

47

De wetenschap die getallen bestudeert is de …

wiskunde

48

ingewikkeld = …

complex

49

Wat werkt op elektricieit, werkt …

elektronisch

50

Wat vanzelf gaat, gaat …

automatisch

51

het apparaat = …

het toestel

52

de handleiding = …

de gebruiksaanwijzing

53

De plaats waar de verbindingen van de telefoon of de elektriciteit samenkomen = de …

centrale

54

Een machine die drank verkoopt is een drank...

automaat

55

Een auto heeft een ... en daardoor kan hij rijden.

motor