TW24 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW24 A2 > Flashcards

Flashcards in TW24 A2 Deck (184):
1

Wilt u het … als u niet kunt komen?

melden

2

Deze lijst … de namen van alle winnaars.

vermeldt

3

Het is moeilijk om met kleine kinderen een gesprek te … .

voeren

4

over iets beginnen praten = iets … … …

ter sprake brengen

5

Dat mag niet! = Geen … … !

sprake van

6

dat spreekt vanzelf = dat … voor …

(dat) spreekt (voor) zich

7

tegen iemand beginnen spreken = iemand …

aanspreken

8

In de klas hebben we 3 thema's … .

besproken

9

De buurvrouw komt elke dag langs om een … met mij te …

praatje (met mij te) maken

10

Als … het … …, is deze broek veel te duur!

je (het) mij vraagt

11

Als je het niet weet, dan moet je de juf een vraag … .

stellen

12

Ik moet nog drie e-mails terugsturen = ik moet nog drie e-mails …

beantwoorden

13

Met andere woorden, dat betekent = dat … …

wil zeggen

14

herhalen wat iemand zegt = iemand …

nazeggen

15

Lucas kan heel goed spannende verhalen … .

vertellen

16

Hoe bedoel je? = … ?

Hoezo?

17

Je gaat scheiden? Echt waar? … je dat??

Meen

18

Ik ga nu een liedje zingen en het is de … dat iedereen meezingt!

bedoeling

19

Als je de taal niet goed spreekt, is het moelijk om je … te … .

uit (te) drukken

20

Welk substantief kan je vormen met het verbum uitdrukken?

de uitdrukking

21

Met dit gedicht geef ik … … mijn gevoelens.

uitdrukking aan

22

Jan mag niet naar mijn feest komen. Ik heb hem niet … .

uitgenodigd

23

Als je weggaat, dan … je iedereen. Je zegt dan : 'tot ziens'!

groet

24

… , beste mensen. Ik ben blij jullie te zien!

Welkom

25

Je bent erg welkom =Je bent … … welkom.

van harte

26

Sandra moet … dat ze gelogen heeft. Dan is alles opgelost.

toegeven

27

De jongens … gisteren dat ze de fiets hadden gestolen.

bekenden

28

Julie zegt dat Tom dik is. Dat is geen leuke … .

opmerking

29

zich excuseren = …

zich verontschuldigen

30

Welk substantief kan je vormen met het verbum zich excuseren?

het excuus

31

Lisa heeft goede argumenten en daarmee kan ze me altijd … !

overtuigen

32

Als je iets …, dan moet je dat zeker doen!

belooft

33

heel hard roepen = …

schreeuwen

34

heel zachtjes praten = …

fluisteren

35

gezellig praten = …

babbelen

36

Hou op met … . Je krijgt geen nieuwe fiets!

zeuren

37

accepteren = …

aanvaarden

38

Als je iets heel erg graag wilt, dan … je naar iets.

verlang

39

De banken … voor valse eurobiljetten.

waarschuwen

40

In het ziekenhuis mag je niet roken. Roken wordt niet … .

toegelaten

41

Wie kan dat woord van het Frans naar het Nederlands … ?

vertalen

42

Iemand die vertaalt, is een …

vertaler

43

Iemand die onmiddellijk vertaalt wat iemand zegt, is een …

tolk

44

Haar … is Frans. Haar tweede taal is Nederlands.

moedertaal

45

Julie heeft Jef voor leugenaar … . Ze is heel boos op hem.

uitgemaakt

46

Het voorstel van de directeur … … dat iedereen harder moet werken.

houdt in

47

hoi = …

hallo

48

slaapwel = …

welterusten

49

Als je Joris ziet, wil je hem dan de … … van mij?

groeten doen

50

… in ons nieuwe huis!

Welkom

51

Ik heb mijn buurman toevallig gezien gisteren = Ik … mijn buurman gisteren toevallig ..

ben (...) tegengekomen

52

tegenkomen = ontmoeten = vinden = …

treffen

53

Als je iemand voor de eerste keer ontmoet, dan … je … met die persoon.

maak (je) kennis (met)

54

Als je vertelt wie je bent en wat je doet, dan … je jezelf … .

stel (je jezelf) voor

55

Wat is er aan de hand? = … … …?

Wat scheelt er

56

veel succes! = … … !

veel geluk

57

Als we geluk hebben, dan stopt het met regenen. = Met … … …, stopt het met regenen.

een beetje geluk

58

De film 'Titanic' was een groot … . Iedereen wilde de film zien.

succes

59

… … met je examen. Ik zal aan je denken!

Veel succes

60

graag gedaan = … …

geen dank

61

erg bedankt = … bedankt

hartelijk

62

Als je iemand dankbaar bent, dan … je die persoon. Je zegt dan 'danku'.

bedank

63

Veel … op vakantie! Amuseer je!

plezier

64

Het was voor de grap. = Het was voor de …

lol / gein

65

Het doet me veel plezier om met jou te mogen spreken. = Het is me een … om met u te mogen spreken.

genoegen

66

Ik wil graag dat je naar mijn feest komt. Daarom … ik jou … .

nodig (ik jou) uit

67

Ik heb een … gekregen voor het feest van Joris. Joepie!

uitnodiging

68

uitkomen = …

passen

69

oké = OK = …

in orde

70

Ik heb heel veel zin in de les = Ik … uit … de les

kijk (uit) naar

71

Tessa … een … over mijn nieuwe jas. Ze zei dat ze mijn jas heel mooi vond.

maakte (een) complimentje

72

gelukwensen = …

feliciteren

73

gefeliciteerd! = …

proficiat

74

De dag waarop je een jaar ouder wordt = je …

verjaardag

75

gefeliciteerd met je verjaardag! = … …

gelukkige verjaardag!

76

gezondheid! = … !

proost!

77

… voorzichtig. Rij niet te hard op de autosnelweg.

Wees

78

De leeraar moest beslissen wie gelijk had. = De leeraar moest … wie gelijk had.

uitmaken

79

Het is niet erg als het regent, we gaan toch naar buiten! = het … niet … of het regent, we gaan toch naar buiten!

maakt (niet) uit (of)

80

pardon = sorry = …

excuseer

81

Ik ben boos omdat je niet gebeld hebt. = Ik … het je … dat je niet gebeld hebt.

neem (het je) kwalijk

82

begrijpen = …

snappen

83

Wat … je onder 'een goede relatie'?

versta

84

Welk verbum kan je vormen met het substantief herhaling?

herhalen

85

Pardon? = Wat … … ?

zeg je

86

Dat is waar = inderdaad = je hebt gelijk = … dat … !

Zeg (dat) wel

87

Lotte … dat ze goed kan zingen, maar ik vind van niet. Ik heb haar al horen zingen en het was heel slecht!

beweert

88

Als je de oefening niet begrijpt, dan zal ik hem nog eens … .

uitleggen

89

Wil je hem eens … ? Hij heeft lang haar en blauwe ogen. Hij is klein en heel mooi!

beschrijven

90

trouwens = …

overigens

91

bovendien = …

daarnaast

92

kennelijk = …

blijkbaar

93

Ik moet nu gaan, ik heb … een afspraak.

namelijk

94

Of we gaan wandelen? Dat … … van het weer!

hangt af

95

jouw examen was heel slecht. Waar … dat … ? Ik had niet genoeg gestudeerd.

lag (dat) aan

96

kom even hier. = kom … hier.

eens

97

ach = …

och

98

au! = … !

ai

99

…! Wat stinkt het hier!

Bah

100

cool = vet = …

gaaf

101

… ! Je mag niet liegen!

Foei

102

hoera! = … !

joepie

103

in hemelsnaam = in …

godsnaam

104

Of ik een ijsje wil? … en … !

Nou (en) of!

105

Wat gaan we vandaag doen? …, dat zal ik je eens vertellen!

Nou / Wel

106

nounou = amai = …

tjongejonge

107

verdorie = …

verdomme

108

vooruit! = …

komaan!

109

de mening = het oordeel = het standpunt = …

de opvatting

110

Je moet zeggen wat je denkt. = Je moet … je … … .

voor (je) mening uitkomen

111

Hij zegt 'ja' en ik zeg 'neen'. We … van mening.

verschillen

112

Ik ben … van zijn talent. Ik weet zeker dat hij kampioen wordt!

overtuigd

113

De docenten hebben Tom positief … . Hij heeft een 10/10 gekregen!

beoordeeld

114

We moeten eerst … voordat we een beslissing nemen.

overleggen

115

Welk substantief kan je vormen met het verbum overleggen?

het overleg

116

We … ons eerste kindje in februari.

verwachten

117

Als je zwanger bent, dan ben je … … .

in verwachting

118

Men zegt dat Paul een vriend heeft. = Naar ... … heeft Paul een vriend.

het schijnt

119

Wat mij … kunnen we gaan. Ik wil niet blijven.

betreft

120

… mode ben ik niet zo modern. Ik draag altijd oude kleren.

Qua

121

in wezen = in …

feite

122

eigenlijk = …

feitelijk

123

Bij de sollicitatie was talenkennis een belangrijke …

factor

124

vooral = voornamelijk = …

hoofdzakelijk

125

Vooral de kinderen waren blij. = Met … de kinderen waren blij.

(Met) name

126

Harry is te jong om te trouwen, vind ik. Hij is … nog maar achttien jaar oud!

tenslotte

127

Ik, rijk? Was … … …!

dat maar waar

128

dat is waar = inderdaad = dat …

klopt

129

Je zegt de waarheid = je … …

hebt gelijk

130

helemaal niet = … niet.

totaal

131

Ik blijf … lang … studeren. Ik wil nog niet gaan werken!

zo (lang) mogelijk

132

Als het kan, dan zou ik je willen spreken. = … … zou ik je willen spreken.

Indien mogelijk

133

Je gelooft niet hoeveel hij kan eten! = je … het niet voor … hoeveel hij kan eten!

houdt (het niet voor) mogelijk

134

mogelijk >

onmogelijk

135

precies = …

exact

136

Denk … dat je straks een afspraak hebt.

erom / eraan

137

absoluut = stellig = …

beslist

138

Jij wil zeker een kopje koffie. = Jij wil … een kopje koffie.

vast

139

heel zeker = … en …

vast en zeker

140

zonder twijfel, zeker = …

ongetwijfeld

141

Joris heeft lang …, maar nu heeft hij een beslissing genomen.

getwijfeld

142

de tegenstander >

de voorstander

143

Het examen was slecht, vond ik. = Het examen … …, vond ik.

viel tegen

144

Dit huis is … wel mooi, maar … is het heel klein.

enerzijds (...) anderzijds (...)

145

Kris wil nog niet trouwen, en zijn vriendin ook niet. = Kris wil nog niet trouwen, en zijn vriendin … .

evenmin

146

Iets als dat heb ik nog nooit gezien! = … heb ik nog nooit gezien!

Zoiets

147

wat jammer = wat …

zonde

148

helaas = … …

jammer genoeg

149

niet fijn = niet leuk = niet aangenaam = …

vervelend

150

We hebben … : we hebben de trein gemist.

pech

151

Ik dacht dat je naar mijn feestje zou komen, maar je was er niet. Wat een …

teleurstelling

152

Ik ben … in het donker!

bang

153

waarschijnlijk = …

vermoedelijk

154

Het hangt er vanaf of het … dan … regent.

al (dan) niet

155

geweldig = …

fantastisch

156

prachtig = …

schitterend

157

Ze kan ontzettend goed dansen = Ze kan … goed dansen.

hartstikke

158

Dat is verboden, dat is niet toegestaan. = Dat … … .

(Dat) mag niet

159

Jan mag niet roken van zijn ouders. = Zijn ouders … hem te roken.

verbieden

160

Roken tijdens de les is …

verboden

161

beletten = …

verhinderen

162

Sonja … gisteren haar nieuwe schoenen zien.

liet

163

Zonder … van de leerkracht mag je niet naar het toilet.

toestemming

164

In vele landen is er een grote … aan drinkwater en voedsel.

behoefte

165

Dat moet op deze manier. = Dat … …

hoort zo

166

De leerkracht heeft ons een … gedaan: als we goed meewerken, krijgen we een koekje.

voorstel

167

Volgens mij = Als … het … …

(Als) je (het) mij vraagt

168

Als ik … …, dan zou ik meer studeren!

jou was

169

het advies = …

de raad

170

Als ik iets niet weet tijdens de test, dan geeft de leerkracht mij een …

tip

171

spreektaal >

schrijftaal

172

AN = … …

Algemeen Nederlands

173

In de volgorde van het alfabet = …

alfabetisch

174

Welk substantief kan je vormen met het verbum betekenen?

de betekenis

175

het vocabulaire = …

de woordenschat

176

de kleine letter >

de hoofdletter

177

Kan je je naam even … ? -> Oké! E-L-I-N-E.

spellen

178

Welk substantief kan je vormen met het verbum uitspreken?

de uitspraak

179

In Antwerpen spreken ze niet altijd Algemeen Nederlands, maar vaak een …

dialect

180

de nadruk = …

het accent

181

m.a.w. = met … …

(met) andere woorden

182

het enkelvoud >

het meervoud

183

regelmatig >

onregelmatig

184

formeel >

informeel