TW3 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW3 A1 > Flashcards

Flashcards in TW3 A1 Deck (27):
1

Als je niet ziek bent, ben je …

gezond

2

Welk verbum kun je combineren met “ziek …”?

worden/zijn

3

Ernstig = …

heel erg

4

Als je valt op je knie, dan doet je knie ...

pijn

5

Problemen, moeilijkheden hebben met iets = …

last hebben van

6

Zwak >

sterk

7

Als je niet sterk bent, dan ben je …

zwak

8

Hier mag je niet zwemmen! Dat is veel te …

gevaarlijk

9

Een deel van een bedrijf = …

een afdeling

10

Iemand die helpt bij het werk = …

een assistent

11

De dokter onderzoekt de …

patiënt

12

De arts = …

de dokter

13

De tijd waarop je een dokter kunt bezoeken is het …

spreekuur

14

Welk verbum kan je combineren met “een afspraak …”?

hebben

15

Constateren = …

vaststellen

16

Wat zijn de tijden van ZORGEN?

zorgde, gezorgd

17

Om te slagen, moet je een goede … afleggen.

test, toets

18

De moeder … haar baby.

verzorgt

19

Een medicijn = …

een geneesmiddel

20

Een winkel waar je medicijnen kan kopen is een …

apotheek

21

Wat zijn de tijden van BEWEGEN?

bewoog, bewogen

22

Om goed te leren rekenen, moet je … maken.

oefeningen

23

Ik krijg veel … bij het opruimen.

hulp

24

Een goede … is belangrijk als je ziek bent.

verzekering

25

Leven >

dood

26

Vul het juiste verbum in. "Ik … een sigaret."

rook/rookte

27

Hoeveel … rook jij per dag?

sigaretten