TW15 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW15 B1 > Flashcards

Flashcards in TW15 B1 Deck (126):
1

De Belgische … bestaat uit de rode, de zwarte en de gele kleur.

vlag

2

België heeft drie … : Vlaanderen, Wallonië en Brussel.

gewesten

3

de koning = …

de vorst

4

Een koningin en een prinses dragen een …

kroon

5

een land met aan het hoofd een president = …

een republiek

6

een land met aan het hoofd een koning (we zoeken het politiek systeem) = …

de monarchie

7

een land waar iemand op een strenge en dwingende manier regeert = …

de dictatuur

8

het bestuur van een strenge regering = …

het regime

9

de macht in het land = …

het bewind

10

Wat zijn de tijden van ONDERDRUKKEN?

onderdrukte, heeft onderdrukt

11

Wat zijn de tijden van OMVERWERPEN?

wierp omver, heeft omvergeworpen

12

een land besturen = …

regeren

13

de eerste minister = …

de premier

14

het parlement = …

de Staten-Generaal

15

de volksvertegenwoordiger = …

het parlementslid

16

de Eerste Kamer = …

de Senaat

17

de Tweede Kamer = …

de Kamer van Volksvertegenwoordigers

18

het gezag = …

de autoriteit

19

een groep mensen die verkozen zijn en een gemeente helpen besturen = …

de gemeenteraad

20

een openbare functie = …

de ambt

21

iemand die voor zijn beroep dingen moet onderzoeken, controleren = …

de inspecteur

22

iemand die voor zijn beroep advies geeft = …

de adviseur

23

Wat zijn de tijden van BENOEMEN?

benoemde, heeft benoemd

24

de mogelijkheid om je mening te geven = …

de inspraak

25

het feit dat je iemand of iets controleert = …

het toezicht

26

de subsidie = …

de toelage

27

iemand die verkozen is en werkt in de politiek = …

de politicus

28

een geheel van gedachten en ideeën, vooral over de politiek = …

de ideologie

29

wat socialistisch en democratisch is = …

sociaaldemocratisch

30

wat christelijk en democratisch is = …

christendemocratisch

31

een politieke ideologie waarbij men zoveel mogelijk vrijheid voor iedereen wil = …

het liberalisme

32

Als je in de samenleving verschillende dingen wilt veranderen, dan ben je …

progressief

33

Als je wilt dat alles blijft zoals het is, dan ben je …

conservatief

34

het kapitalisme >

het communisme

35

een politieke ideologie waarbij je je eigen land of volk het belangrijkst vind = …

het nationalisme

36

een politiek systeem waarbij de leider alles beslist en met geweld reageert als mensen zijn ideeën niet volgen = …

het fascisme

37

de ideologie van Adolf Hitler = …

het nazisme

38

de partijen die niet in de regering zitten = …

de oppositie

39

Wat zijn de tijden van DEBATTEREN?

debatteerde, heeft gedebatteerd

40

een verandering met het oog op verbetering = …

de hervorming

41

Wat zijn de tijden van VERKIEZEN?

verkoos, heeft verkozen

42

het recht om te stemmen = …

het stemrecht

43

een grote actie om reclame te maken = …

de campagne

44

Wat zijn de tijden van OVERDRAGEN?

droeg over, heeft overgedragen

45

een organisatie die de rechten van de werknemers verdedigt = …

de vakbond

46

het recht om mee te beslissen = …

de medezeggenschap

47

een ruzie = …

een conflict

48

Wat zijn de tijden van AFTREDEN?

trad af, heeft afgetreden

49

demonstreren = …

betogen

50

de demonstratie = …

de betoging

51

reclame voor bepaalde politieke ideeën = …

propaganda

52

het verzet van een grote groep mensen = …

de opstand

53

Op het concert van Justin Bieber houden vele meisjes … vast met teksten zoals "I love you".

spandoeken

54

het wetsvoorstel = …

het wetsontwerp

55

de grondwet = …

de constitutie

56

de tekst waar alle regels in staan = …

het reglement

57

een officiële toestemming = …

de vergunning

58

de persoon die over de straf beslist die een misdadiger krijgt = …

de rechter

59

de rechtbank = …

het gerecht

60

zeggen dat iemand iets verkeerds heeft gedaan = …

beschuldigen

61

schuldig >

onschuldig

62

veroordelen >

vrijspreken

63

de regel = …

het voorschrift

64

Elke burger moet de wet …

respecteren

65

erg streng, precies = …

strikt

66

overtreden = …

schenden

67

Wat zijn de tijden van OPSLUITEN?

sloot op, heeft opgesloten

68

het proces = …

de rechtszaak

69

een groep mensen die bepalen of iemand schuldig is of niet = …

de jury

70

de rechtspraak = …

het pleidooi / de justitie

71

Wat zijn de tijden van PLEITEN?

pleitte, heeft gepleit

72

iemand die een ongeval /een diefstal etc. heeft gezien, is een …

getuige

73

zeggen dat iets niet waar is = …

ontkennen

74

iets toegeven = …

schuld bekennen

75

jezelf beschermen = …

de zelfverdediging

76

Wanneer de politie een boef ondervraagt, dan is dit een …

overhoring

77

kalm blijven = …

zich beheersen

78

Wat zijn de tijden van AANTREFFEN?

trof aan, heeft aangetroffen

79

arresteren = …

aanhouden

80

de misdadiger = …

de crimineel / de dader

81

een groep misdadigers = …

de bende / gangsters

82

Als je iets meeneemt dat niet van jou is, is dat een …

diefstal

83

een actie om te voorkomen dat iets zou gebeuren = …

de preventie

84

een politieagent die misdaden onderzoekt en probeert op te lossen = …

de rechercheur

85

Wat zijn de tijden van VERDENKEN?

verdacht, heeft verdacht

86

heel goed op iemand zijn doen en laten letten = …

in de gaten houden

87

heel goed op iets passen = …

bewaken

88

iets veilig maken = …

beveiligen

89

wat in het geheim gebeurt omdat het eigenlijk niet mag = …

clandestien

90

Wat zijn de tijden van INBREKEN?

brak in, heeft ingebroken

91

Wat zijn de tijden van OVERVALLEN?

overviel, heeft overvallen

92

Als je in het geheim drugs over de grens probeert te krijgen, dan ben je aan het …

smokkelen

93

een wapen waarmee je kunt schieten = …

het geweer / het pistool

94

Op 11 september 2001 werd een vliegtuig …

gekaapt

95

de gegijzelde = …

de gijzelaar

96

de gegijzelde >

de gijzelnemer

97

Als je iemand zwart uitsluit omwillen van zijn kleur, is dat een vorm van …

racisme

98

kapotmaken = …

vernielen

99

ingrijpen = …

tussenbeide komen

100

mondiaal = …

wereldwijd

101

Wanneer iedereen het met elkaar eens is, iedereen gaat akkoord = …

de overeenstemming

102

een heel arm land dat economische steun nodig heeft van de rijkere landen = …

het ontwikkelingsland

103

Congo was een … van België.

kolonie

104

een officiële afspraak tussen twee of meer landen = …

het verdrag

105

Wat zijn de tijden van SPIONEREN?

spioneerde, heeft gespioneerd

106

Als je iets vertelt wat eigenlijk geheim moest blijven, dan heb je dit geheim …

verraden

107

Het beginnen van een oorlog = …

het uitbreken (van de oorlog)

108

het gevaar = …

het risico

109

Wat zijn de tijden van AANVALLEN?

viel aan, heeft aangevallen

110

het gebied waar soldaten vechten in een oorlog = …

het front

111

Wat zijn de tijden van BEZETTEN?

bezette, heeft bezet

112

een schip dat onder water kan varen = …

de duikboot

113

Wat zijn de tijden van BESTRIJDEN?

bestreed, heeft bestreden

114

De taak die je moet doen in bijvoorbeeld het leger = …

het bevel

115

Als je met een geweer schiet, komt er een … uit.

kogel

116

ontploffen = …

exploderen

117

vernietigen = …

verwoesten

118

bommen gooien = …

bombarderen

119

Wat zijn de tijden van VERSLAAN?

versloeg, heeft verslagen

120

Op 11 november herdenken we de …

wapenstiland

121

het verzet = …

de weerstand

122

iemand die met jou wil samenwerken en wil helpen = …

de bondgenoot

123

iemand die vlucht = …

de vluchteling

124

Wat zijn de tijden van VERVOLGEN?

vervolgde, heeft vervolgd

125

Als je toegeeft dat je verloren bent, dan …

geef je je over (zich overgeven)

126

Als je niet genoeg hebt aan iets, dan heb je een …

tekort