TW18 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW18 A2 > Flashcards

Flashcards in TW18 A2 Deck (43):
1

het vervoer dat iedereen kan gebruiken, zoals de bus en de trein = …

het openbaar vervoer

2

de plaats waar een bus, een tram stopt = …

de halte

3

de auto met chauffeur die je voor een bepaald bedrag ergens naar toe brengt = …

de taxi

4

een aantal mensen die achter elkaar in een lange rechte lijn staan, vormen een …

rij

5

Wat zijn de tijden van DOORRIJDEN?

reed door, is doorgereden

6

het vertrek >

de aankomst

7

Wat zijn de tijden van AFSTEMPELEN?

stempelde af, heeft afgestempeld

8

het enkeltje / de enkele reis >

de retour

9

op en neer = …

heen en weer / heen en terug

10

de duurste ruimte in de trein = …

eerste klasse

11

de minder dure ruimte in de trein = …

tweede klasse

12

een trein die bij elk station stopt = …

de stoptrein

13

de persoon die de kaartjes controleert in de trein of tram = …

de conducteur / de conductrice

14

We moeten ons vliegtuig halen, dus we moeten op tijd vertrekken naar de …

luchthaven

15

de persoon die voor de passagiers zorgt in een vliegtuig = …

de steward / de stewardess

16

een plaats waar boten aankomen en vertrekken = …

de haven

17

Wat zijn de tijden van VAREN?

voer, is gevaren

18

de baas op een schip = …

de kapitein

19

iemand die op een schip werkt = …

de matroos

20

de bromfiets = …

de brommer

21

Wat zijn de tijden van AUTORIJDEN?

reed auto, heeft autogereden

22

de aanhangwagen om in te kamperen = …

de caravan

23

De nieuwe lading producten wordt in een … vervoerd.

vrachtwagen

24

Wat zijn de tijden van MEERIJDEN?

reed mee, is meegereden

25

de rij auto's die niet of nauwelijks vooruitkomt door een verkeersopstopping = …

de file

26

een straat die je kunt inslaan = …

de zijstraat

27

met je vinger wijzen naar = …

aanwijzen

28

Als je in een nieuwe stad bent en je weet niet hoe je moet rijden, dan moet je de … vragen aan iemand.

weg

29

traag >

vlug / snel

30

een situatie zonder gevaar = …

de veiligheid

31

Wat zijn de tijden van VOORKOMEN?

voorkwam, heeft voorgekomen

32

een hard geluid = …

de klap

33

het geluk >

de pech

34

Als je geen benzine meer hebt in je auto, dan moet je gaan …

tanken

35

een soort brandstof die onzichtbaar is en die je auto kan laten rijden = …

het gas

36

brandstof gemaakt van aardolie waarop auto's kunnen rijden = …

de benzine

37

linksaf >

rechtsaf

38

Wat zijn de tijden van TERUGRIJDEN?

reed terug, is teruggereden

39

de weg waar geen fietsers of voetgangers mogen komen = …

de autoweg

40

Je moet … op het zebrapad.

oversteken

41

langwerpig voorwerp dat rechtop in de grond staat = …

de paal

42

plaats waar wegen elkaar kruisen = …

het kruispunt

43

vooruit >

achteruit