TW20 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW20 A2 > Flashcards

Flashcards in TW20 A2 Deck (121):
1

1. Er is brand in Antwerpen. De brandweer is …

ter plaatse

2

2. Kinderen hebben veel plaats nodig om te spelen = kinderen hebben veel … nodig om te spelen.

ruimte

3

3. groot = …

ruim

4

4. Denk je dat het goed zal gaan? Zie je … … ?

het zitten?

5

5. je mag de 10 eurocent houden = laat die 10 eurocent … …

maar zitten

6

6. waar ben je nu? = waar … je je nu?

bevind

7

7. uitkijken op = …

uitzien op

8

8. de kinderen zitten … naast elkaar. Ze hebben bijna geen plaats!

dicht

9

9. niet ver van = in … … …

in de buurt van

10

10. een deel van een stad of een dorp = …

wijk

11

11. in … … zag ik iemand lopen, maar ik weet niet wie, want het was veel te ver.

de verte

12

12. Het … …: we gaan trouwen!

het is zover

13

14. Voor … … …, is het morgen school.

voor zover ik weet

14

15. Tot hier, tot dit punt = … …

tot zover

15

16. onderste >

bovenste

16

17. bovenaan >

onderaan

17

18. Er zit een … in mijn sok! Ik moet nieuwe sokken kopen!

gat

18

20. Jan zit links van mij en Jules zit rechts van mij. Ik zit … … … .

in het midden

19

21. rechterkant >

linkerkant

20

22. steeds rechtdoor = … rechtdoor

alsmaar

21

23. de kant = …

de zijde

22

25. Aan … … … wil ik reizen, maar aan … … … wil ik thuisblijven.

de ene kant, de andere kant

23

26. de binnenkant >

de buitenkant

24

27. de voorkant >

de achterkant

25

28. op een andere plaats = ergens …

anders

26

29. hierboven >

hieronder

27

30. op sommige plaatsen heeft het gesneeuwd = … en … heeft het gesneeuwd.

hier en daar

28

31. rond = …

om

29

32. Zie je die tafel? Zet de stoelen daar maar … . (niet rond)

omheen

30

33. op de voorste plaats in de kerk = … in de kerk

vooraan

31

34. vooraan >

achteraan

32

35. de mensen op de laatste rij = de mensen op de … rij

achterste

33

36. Ik woon in Antwerpen = ik woon … Antwerpen

te

34

37. uitvoerig = …

uitgebreid

35

38. niet volledig, met weinig details = …

beperkt

36

39. het gebied

de streek

37

40. op … … van computers weet ik heel weinig!

op het gebied van

38

41. op een andere plaats = …

elders

39

42. lokaal = …

plaatselijk

40

43. landelijk >

regionaal

41

44. wereldwijd = …

mondiaal

42

45. de afwezigheid >

de aanwezigheid

43

46. te laat >

op tijd

44

47. een korte tijd = …

een tijdje

45

48. na korte tijd = … … …

na een tijdje

46

49. sinds korte tijd ben ik 's avonds heel moe = De … … ben ik 's avonds heel moe.

de laatste tijd

47

50. Ondertussen = In … …

in de tussentijd

48

51. Pardon, mevrouw. Weet u hoe laat het is? = Pardon, mevrouw. Heeft … … … ?

heeft u de tijd?

49

52. af en toe = nu en dan = soms = …

van tijd tot tijd

50

53. voor een bepaalde tijd = …

tijdelijk

51

54. vroeger = in … …

in het verleden

52

55. De laatste keer dat ik hem gezien heb, was met Kerstmis. Ik heb hem … het … gezien met Kerstmis.

voor het laatst

53

56. voorbij = …

afgelopen

54

57. soms = af en toe = … en …

nu en dan

55

58. Tot nu heeft nog niemand gewonnen = Tot … … heeft nog niemand gewonnen.

tot nu toe

56

59. a.s. = …

aanstaand

57

60. het verleden >

de toekomst

58

61. 100 jaar = …

een eeuw

59

62. Ik rook elke dag een sigaret = ik rook … … een sigaret

per dag

60

63. Ik geniet van het leven. Ik leef van … … dag.

van dag tot dag

61

64. ze is altijd boos! = ze is … en … boos!

dag en nacht

62

65. tegenwoordig, in deze tijd = vandaag … …

vandaag de dag

63

66. elke dag = …

dagelijks

64

67. elke week = …

wekelijks

65

68. elke maand = …

maandelijks

66

69. elk jaar = …

jaarlijks

67

70. een datum kiezen = een datum …

prikken

68

71. de ochtend van gisteren = …

gisterenochtend

69

72. de middag van gisteren = …

gisterenmiddag

70

73. de dag voor gisteren = …

eergisteren

71

74. de dag na morgen = …

overmorgen

72

75. de namiddag >

de voormiddag

73

76. Tussen 0 en 6 uur 's nachts = … in … …

midden in de nacht

74

77. in de middag = …

s middags

75

78. tijdens de dag = …

overdag

76

79. op tijd >

te laat

77

80. nu = op … …

op dit moment

78

81. plotseling = op … … …

op een gegeven moment

79

82. ogenblikje = …

momentje

80

83. tegelijkertijd = …

tegelijk

81

84. een korte tijd later = … later

even later

82

85. ongeveer om 8u = … een … …

om een uur of

83

86. elk uur moet je een pilletje nemen = … het uur

om het uur

84

87. helemaal opnieuw beginnen = van … af … beginnen

van voren af aan

85

88. inmiddels = intussen = …

ondertussen

86

89. voor de eerste keer = voor … …

voor het eerst

87

90. oorspronkelijk = …

aanvankelijk

88

91. aanvankelijk = oorspronkelijk = in … …

in eerste instantie

89

92. iets heel leuk vinden, iets geweldig vinden = iets … … vinden

het einde

90

93. als laatste = tot …

slot

91

94. stoppen = …

eindigen

92

95. met iets stoppen, een einde maken aan iets = …

beëindigen

93

96. dat is alles. … heb ik niets te zeggen. =

verder

94

97. na het moment dat Jan een douche nam, ging hij eten. = … Jan een douche nam, ging hij eten.

nadat

95

98. vroeger, toen = …

indertijd

96

99. één keer per week = … per week

eenmaal

97

100. bijna nooit = …

zelden

98

101. mijn hele leven lang = voor …

altijd

99

102. het regent nog altijd = het regent … …

nog steeds

100

103. meer en meer = … meer

steeds meer

101

104. Elisa komt altijd te laat = Elisa komt … te laat.

steevast

102

105. sinds= …

sedert

103

106. Ik moet een brief schrijven. Kijk jij … maar tv tot ik klaar ben.

zolang

104

107. … ik een nieuwe computer koop, moet ik eerst nog geld sparen!

voor(dat)

105

109. Het restaurant is voor een paar maanden gesloten = het restaurant is … gesloten.

tijdelijk

106

110. juist = net = …

pas

107

111. daarnet = zo-even = …

zojuist of zopas

108

112. Net voor de match begon, is het beginnen regenen = … voor de match begon, is het beginnen regenen.

vlak

109

113. koop jij soms dure kleren? = koop jij w…. Dure kleren?

weleens

110

114. Ik heb nog veel huiswerk. Mijn huiswerk is nog … … klaar!

lang niet

111

115. Ben je nu al moe? Het is … … 10.00u!

nog maar

112

116. weer = opnieuw = a…..

alweer

113

117. Elke keer als er iemand komt, wordt hij boos. = … als er iemand komt, wordt hij boos.

telkens

114

118. U moet de papieren zo ... … opsturen. Hoe sneller, hoe beter!

spoedig mogelijk

115

119. We krijgen over een korte tijd een nieuwe collega = we krijgen … een nieuwe collega.

binnenkort

116

120. De laatste datum dat je kan komen, is maandag 10 juni. = de … datum dat je kan komen, is maandag 10 juni.

uiterste

117

122. Wanneer heb je Joris … het … gezien? -> Gisteren!

voor het laatst

118

124. een schema van het jaar = een k….

kalender

119

125. veel dagen na elkaar

dagenlang

120

126. Ik eet 1 appel en Julie eet 2 appels. Er … nog 2 appels … .

blijven over

121

127. Ik krijg de resultaten morgen pas. Ik moet dus nog even a….. .

afwachten