TW7 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW7 A2 > Flashcards

Flashcards in TW7 A2 Deck (72):
1

Iemand van je familie, dat is een … .

familielid

2

Een vader of moeder zonder partner, dat is een … ouder

alleenstaande

3

Een synoniem voor zus, is …

zuster

4

Babysitten = …

oppassen

5

Let op! = … op!

pas

6

De crèche = het …

kinderdagverblijf

7

Je oma en je opa, dat zijn je …

grootouders

8

Grootouder >

kleinkind

9

Twee mensen die een relatie hebben, dat is een koppel, een stel of een …

paar

10

Stoppen met een relatie = uit … gaan

elkaar

11

Mijn relatie is persoonlijk/…, daar praat ik niet over.

privé

12

De maatschappij = de …

samenleving

13

Maatschappelijk = …

sociaal

14

Een groep mensen die samen leeft en werkt, dat is een …

gemeenschap

15

Als jij en ik dezelfde vriend hebben op Facebook, dan is dat een … vriend

gemeenschappelijke

16

De manier waarop iets georganiseerd is, dat is een …

systeem

17

Een specifieke regeling is een …

maatregel

18

sociaal >

asociaal

19

Alle mensen van een land, dat is het/de …

volk, bevolking

20

In België hebben we verschillende regionale regeringen en één … regering

nationale

21

Een genocide is een moord met … motief

etnisch

22

Wie een witte huid heeft, die is …

blank

23

Als je alleen aan een oefening werkt, dan werk je …

individueel

24

Hoeveel studenten zitten er in je klas? We zijn … 12

met

25

Mensen die rijk zijn en gestudeerd hebben, komen uit een hogere … .

klasse

26

De bewoners van een gemeente of een land, dat zijn de inwoners of …

burgers

27

Iemand tussen 12 en 20 jaar oud, dat is een …

jongere

28

Een groep mensen met ongeveer dezelfde leeftijd en gewoontes, dat is een …

generatie

29

Je … is alles wat er vroeger in je leven is gebeurd.

achtergrond

30

Iemand die ouder is dan 65 is een …

oudere

31

Iemand die niet meer moet werken omdat hij te oud is of omdat hij al genoeg jaren heeft gewerkt, is een …

gepensioneerde

32

Welk adjectief kun je maken van traditie?

traditioneel

33

Iemand die bijvoorbeeld een arm of een been heeft dat niet functioneert, dat is een …

gehandicapte

34

de vriend >

de vriendin

35

Iemand die je kent maar die niet echt een vriend is, dat is een …

kennis

36

Is er een apotheker niet ver van hier? = Is er een apotheker in de …

buurt

37

De relatie = de …

band, verhouding

38

Om een beurs te krijgen moet je contact … met de FOREM

opnemen

39

Het bezoek = de …

visite

40

Wanneer ga je nog eens op bezoek … je grootmoeder?

bij

41

Wanneer kan ik op bezoek komen? Oh, kom maar … als je tijd hebt.

langs

42

bij elkaar = …

bijeen

43

Een afspraak maken = …

afspreken

44

Zeggen dat een afspraak niet doorgaat, dat is een afspraak annuleren of …

afzeggen

45

Vertellen wie je bent, dat is jezelf …

voorstellen

46

iemand voor de eerste keer ontmoeten, dat is … met iemand

kennismaken

47

Zeg, weet je wie ik gisteren op straat ben …?

tegengekomen

48

's Avonds naar een discotheek of een café gaan, dat is …

uitgaan

49

Samen met iemand dingen doen, dat is … met iemand

optrekken

50

De allochtoon = …

de vreemdeling

51

De allochtoon >

autochtoon

52

Iemand die nog niet lang in een land woont, dat is een …

nieuwkomer

53

Iemand die naar een ander land gaat omdat zijn eigen land te gevaarlijk is, dat is een …

asielzoeker

54

Iemand helpen die problemen heeft, dat is iemand …

opvangen

55

Een gesprek om iets te regelen, dat heet ook wel …

overleg

56

Een onderwerp op een agenda, is een … op de agenda

punt

57

Als je je alleen voelt, dan ben je …

eenzaam

58

Zeg, wij gaan voetballen. Heb je zin om … te doen?

mee

59

deelnemen = …

participeren, meedoen

60

Een groep mensen in een cirkel, dat is een …

kring

61

Zeg kun je me even een beetje/een … helpen?

handje

62

Op school is iedereen … voor zijn eigen iPad. Ook als iemand anders hem kapot maakt.

verantwoordelijk

63

Wil je iets drinken? Kan ik je iets …?

aanbieden

64

Ik zal je helpen, je kunt op me …!

rekenen

65

Tijdens een test mag je niet praten. Je moet … houden met de andere studenten die zich willen concentreren.

rekening

66

Ik heb geen hulp nodig, ik … me wel alleen.

red

67

organiseren = …

regelen

68

Welk substantief kun je maken van 'organiseren'?

organisatie

69

Vandaag moet jij de afwas doen, het is jouw …

beurt

70

Hé stop, geen ruzie maken, jullie mogen … de beurt met de bal spelen.

om

71

Het was leuk gisteren, we hadden veel …

plezier

72

de gewoonte = …

het gebruik