TW6 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW6 A2 > Flashcards

Flashcards in TW6 A2 Deck (64):
0

1. Na de aardbeving is het gebouw opnieuw …

opgebouwd

1

3. van welk … is deze tafel gemaakt? -> Van hout.

materiaal

2

4. Welk verbum kan je vormen met het substantief schilderij?

schilderen

3

5. het raam = …

het venster

4

6. er hangen foto's aan de …

wand of muur

5

7. op de … ligt een mooi tapijt (niet grond)

vloer

6

8. er hangt een lamp aan het …

plafond

7

9. de verdieping = …

de etage

8

10. Robert bewaart zijn flessen wijn in de … van zijn huis.

kelder

9

De kamer onder het dak, dat is de ...

zolder

10

12. de trap bestaat uit verschillende ...

treden

11

13. ofwel neem je de trap, ofwel neem je de … .

Lift

12

Zeggen dat iets mag, dat is iets ...

toelaten

13

15. het gebouw = …

het pand

14

De bekendste scène van Romeo & Julia is de scène op het ...

balkon

15

17. enkele jongeren hebben een huis … waar al jaren niemand meer woonde.

gekraakt

16

18. er staat een … rond het huis, zodat de honden niet weg kunnen lopen.

hek

17

19. de flat = …

het appartement

18

20. het flatgebouw = …

het appartementsgebouw

19

21. de koning woont in het koninklijk …

paleis

20

22. heb je je huis via een … gekocht?

makelaar

21

23. wat is de vrouwelijke vorm van huisbaas?

huisbazin

22

24. een huis dat je huurt = een …

huurhuis

23

25. de … van de flat moesten het appartement verlaten, omdat er brand was.

bewoners

24

26. toen ik 10 jaar was, ben ik van Amsterdam naar Breda …

verhuisd

25

27. de achterdeur >< ..

de voordeur

26

28. sluiten = …

dichtdoen

27

29. de postbode doet de brieven in de …

brievenbus

28

30. gesloten = …

toe

29

31. De deuren van de supermarkt … automatisch … als je wil binnengaan.

gaan open

30

32. doe de deur goed op … als je weggaat.

slot

31

33. als je wil binnengaan, moet je drie keer op de deur …

kloppen

32

34. de woonkamer = de living = …

de huiskamer

33

36. als je hebt gedoucht, dan droog je je af met een …

handdoek

34

37. warm maken = …

verwarmen

35

38. het is koud. Ik ga de verwarming hoger … .

zetten

36

39. bloemen steek je in een …

vaas

37

40. als het donker wordt, dan doen we de … dicht.

gordijnen

38

41. gaan slapen = … … …

naar bed gaan

39

42. op mijn bed ligt een kussen en een …

deken of laken

40

43. de elektriciteit is … , dus we kunnen geen tv kijken.

uitgevallen

41

44. welk adjectief kan je vormen met "elektriciteit"?

elektrisch

42

45. de la = de …

lade

43

46. het licht aandoen >< het licht …

uitdoen

44

47. Mieke … links op de foto.

staat

45

49. welk substantief kan je vormen met het adjectief gezellig?

de gezelligheid

46

50. aangenaam, erg gemakkelijk = …

comfortabel

47

51. welk substantief kan je vormen met het adjectief comfortabel?

het comfort

48

52. zelf pizza maken is heel simpel. = zelf pizza maken is heel …

eenvoudig

49

53. alles wat je doet om je huis schoon en netjes te houden = het …

huishouden

50

54. een vrouw zonder baan die thuis het huishouden doet = de …

huisvrouw

51

56. ik wil graag van de service …

gebruikmaken

52

57. handig = …

praktisch

53

58. een stuk stof = de …

doek

54

59. je moet je mond … na het eten.

afvegen

55

60. welk verbum kan je vormen met het adjectief droog?

drogen

56

61. afwassen = de … doen

afwas of vaat

57

62. de vaat = de …

afwas

58

63. de rotzooi = de rommel = de …

troep

59

64. vuil = …

vies

60

65. het afval = het …

vuilnis

61

66. er ligt veel … op de kasten. Wanneer heb je voor het laatst schoongemaakt?

stof

62

Als je gaat schoonmaken, dan doe je water in een ...

emmer

63

68. een mes dat goed snijdt, is …

scherp