TW16 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW16 B1 > Flashcards

Flashcards in TW16 B1 Deck (85):
1

fabriceren = …

produceren

2

de fabrikant = …

de producent

3

het industrieterrein = …

het bedrijventerrein

4

de ruimte waar je werkt = …

de werkplaats

5

het apparaat = …

het toestel

6

de norm = …

de standaard

7

Hiermee kan je het licht aan- en uitdoen.

de schakelaar

8

een bepaald type = …

het model

9

herstellen = …

repareren

10

wetenschap en techniek = …

de technologie

11

de ruimte waar stoffen worden onderzocht en waar proeven worden gedaan = …

het laboratorium

12

Wat zijn de tijden van TIMMEREN?

timmerde, heeft getimmerd

13

Om een spijker in de muur te slaan, hebben we een … nodig.

hamer

14

Om een gat in de muur te maken, hebben we een … nodig.

boor

15

Wat zijn de tijden van ZAGEN?

zaagde, heeft gezaagd

16

de schep = …

de schop

17

Bijgelovige mensen wandelen nooit onder een … door.

ladder

18

de leiding = …

het management / de staf

19

hiermee kan je een kopie maken van een pagina = …

het kopieerapparaat

20

hiermee kan je iets vastplakken = …

de plakband

21

hiermee kan je gaatjes in een papier maken = …

de perforator

22

hiermee kan je twee papieren bij elkaar houden = …

de paperclip / het nietje

23

In dit boekje houd je je planning bij = …

de agenda

24

Wat zijn de tijden van E-MAILEN?

e-mailde, heeft ge-e-maild

25

PS = …

postscriptum

26

een extra stuk tekst of foto bij een e-mail = …

de bijlage

27

Wat zijn de tijden van UITWERKEN = …

werkte uit, heeft uitgewerkt

28

iets onderzoeken, iets testen = iets …

toetsen

29

automatisch maken = …

automatiseren

30

het verkeer van goederen = …

het handelsverkeer

31

invoeren = …

importeren

32

uitvoeren = …

exporteren

33

de import >

de export

34

aan de andere kant van de zee = …

overzees

35

de onderneming = …

de firma

36

Papa is bijna nooit thuis. Hij moet altijd werken voor zijn bedrijf. Hij is een echte …

zakenman

37

een reis die je maakt voor het werk = …

de zakenreis

38

de bestelling = …

de / het order

39

de afzet = …

de verkoop

40

het contract = …

de overeenkomst

41

netto >

bruto

42

Wat zijn de tijden van OMZETTEN?

zette om, heeft omgezet

43

de korting = …

de reductie

44

de rekening = …

de factuur

45

de pr = …

public relations

46

dat wat je wil bereiken; dat wat je voor ogen houdt = …

de doelstelling

47

Als je het enige bedrijf in je markt bent, dan heb je een …

monopolie

48

wanneer twee of meer bedrijven samen één bedrijf worden = …

de fusie

49

Wat zijn de tijden van VERSTERKEN?

versterkte, heeft versterkt

50

de begroting = …

het budget

51

het bedrag dat je biedt = …

het bod

52

de uitbreiding = …

de expansie

53

economisch = …

zuinig

54

wat geld oplevert = …

rendabel

55

een land waar alles goed gaat, is een … land.

welvarend

56

de stijging = …

de groei / de toename

57

het bankbiljet >

de munt

58

In de Verenigde Staten betaal je met de …

dollar

59

Wat zijn de tijden van WISSELEN?

wisselde, heeft gewisseld

60

contant = …

cash

61

met dit papiertje kan je de bank iemand laten betalen als je een bedrag invult = …

de cheque

62

je handtekening zetten = …

ondertekenen

63

Wat zijn de tijden van BANKIEREN?

bankierde, heeft gebankierd

64

Wat zijn de tijden van STORTEN?

stortte, heeft gestort

65

geld uitgeven >

geld sparen

66

geld opnemen = …

geld afhalen

67

Ik heb geld nodig. De banken zijn gesloten, dus ik zoek nu een …

geldautomaat

68

Wat zijn de tijden van CHIPPEN?

chipte, heeft gechipt

69

bezuinigen = …

besparen

70

Als je geld leent, is dat een …

lening

71

Wat zijn de tijden van AFBETALEN?

betaalde af, heeft afbetaald

72

Als je iemand nog geld moet betalen, dan heb je een … bij die persoon.

schuld

73

Als je verantwoordelijk bent voor een fout, dan ben je …

schuldig

74

geld teruggeven = …

terugbetalen

75

bankroet = …

failliet

76

het bankroet = …

het faillissement

77

als je geld krijgt doordat je schade hebt aan iets = …

de schadevergoeding

78

Wat zijn de tijden van FINANCIEREN?

financierde, heeft gefinancierd

79

de financiën = …

de financies

80

Een auto is een levenslange … Je blijft voortdurend kosten maken.

investering

81

Wat zijn de tijden van BELEGGEN?

belegde, heeft belegd

82

de opbrengst >

de kosten

83

het geld dat ouders van de overheid krijgen omdat ze een of meerdere kinderen hebben = …

de kinderbijslag

84

het fortuin = …

het kapitaal

85

Als je geld of spullen krijgt van iemand die overleden is, dan is dat een …

erfenis