TW22 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW22 A1 > Flashcards

Flashcards in TW22 A1 Deck (34):
1

weinig >

veel

2

minder >

meer

3

Er zijn twee tomaten over = Er zijn … twee tomaten.

nog

4

… studenten zitten er in de klas? - 12.

Hoeveel

5

een aantal mensen of dingen = …

een groep

6

Een aantal dingen die samen zitten in een verpakking = …

het pak

7

Mag ik ook een … taart?

stuk / stukje

8

elk = …

ieder

9

50% = …

de helft

10

wat overblijft = …

de rest

11

iedereen = …

allemaal

12

allebei = …

beide(n)

13

meerdere >

enkele

14

Iets wat anders is, is …

verschillend

15

een … schoenen

paar

16

de keer = ...

de maal / het maal

17

iets = …

wat

18

alles >

geen

19

niets = …

niks

20

Oh nee! Heel de snoepkast is leeg! De snoepjes zijn allemaal … .

op

21

Wat zijn de tijden van TELLEN?

telde, heeft geteld

22

circa = …

ongeveer

23

bijna = …

haast / vrijwel / zowat

24

6 is een cijfer, maar ook een …

nummer

25

tel van 1 tot 15 = …

één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien

26

tel de tientallen = …

twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig

27

100 = …

honderd

28

1000 = …

duizend

29

1 000 000 = …

een miljoen

30

1 000 000 000 = …

een miljard

31

Ik ben 1,70 … groot.

meter (m)

32

1000 m = …

een kilometer

33

Een … cola (1l)

liter

34

het volume = …

de inhoud