TW4 A1 2015 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW4 A1 2015 > Flashcards

Flashcards in TW4 A1 2015 Deck (89):
1

Als ik val, dan v… ik pijn

voel

2

‘ik … …. ….’, zei Romeo tegen Julia.

hou van jou

3

Content = …

tevreden

4

Vrolijk, tevreden = …

blij

5

… nieuwjaar!!!

gelukkig

6

Ik heb vandaag 20 euro op de grond gevonden. Wat heb ik … !

geluk

7

Erg fijn = …

heerlijk

8

Fantastisch = …

geweldig

9

Ik drink … thee dan koffie.

liever

10

David komt … naar school. Hij vindt het leuk.

graag

11

Nico zwemt graag, maar het … gaat hij naar de cinema.

liefst

12

Iets graag willen doen = …

zin hebben in iets

13

Heb je honger? Ja! Ik heb … … frietjes.

trek in

14

“Hahaha” (verbum) =

lachen

15

Plezierig = …

plezant

16

Wanneer de zon schijnt, … we … de zon.

genieten van

17

Veel kleine kinderen zijn … bang van mummies.

bang / angstig

18

Boos op = …

kwaad op

19

Vreselijk = …

verschrikkelijk

20

Spijtig = …

jammer

21

Helaas = …

jammer genoeg

22

Ik heb Bernard pijn gedaan. Ik … er … van.

ik heb er spijt van

23

De zon schijnt vandaag! Ik … dat het morgen ook mooi weer is.

hoop

24

Julia is moe. Ze … al gaan slapen.

wil

25

Willen dat iets gebeurt of dat je iets krijgt = …

wensen

26

Mooi, plezierig, aardig = …

leuk

27

Zonder gevaar = …

veilig

28

Wanneer je huilt, heb je …

verdriet

29

Wanneer je verdriet hebt, moet je …

huilen

30

Zonder andere mensen = …

alleen

31

Toen je op vakantie was, heb ik je heel erg …

gemist

32

Julie is niet op tijd. Het is haar … dat we te laat zijn.

schuld

33

Ik ga vroeg slapen, want ik ben erg …

moe

34

Wanneer twee mensen erg boos zijn op elkaar, dan hebben ze …

ruzie

35

De directeur zit in Frankrijk. Hij … hier vandaag niet.

is

36

Als ik een toets maak, dan moet ik heel goed …

nadenken

37

“Je vindt het dus leuk?” - ‘Nee, dat is niet wat ik …’

bedoel

38

Snappen =…

berijpen

39

Wat zullen we doen? Heb je een … ?

idee

40

Iets beleven in je hoofd terwijl je slaapt = …

dromen

41

Iets wat je zegt om mensen te laten lachen = …

grap

42

Als je iets … vindt, moet je lachen.

grappig

43

Niet slim, stom = …

dom

44

“Heb je hem al eens gezien?” - “Neen. Ik … hem niet.”

ken

45

Wat … je van mijn nieuwe schoenen?

vind

46

Negatief >

positief

47

Positief >

negatief

48

Na een lange … vonden we nog altijd geen oplossing!

discussie

49

Raar, vreemd = …

gek

50

Gewoon = …

normaal

51

Heel erg moeilijk = …

ingewikkeld

52

Marie kijkt sip. Ze … verdrietig, maar eigenlijk is ze heel blij.

lijkt

53

Zonder twijfel = …

zeker

54

Bij … problemen, kan je ons altijd telefoneren!

eventuele

55

We moeten Jan helpen. Hij heeft een …

probleem

56

We moeten het probleem … !

oplossen

57

Hoe heet jij? Ik ben je naam …

vergeten

58

Vermoedelijk = …

waarschijnlijk

59

Met een enquête kan ik iets …

onderzoeken

60

Het besluit = …

de conclusie

61

Wat een rommel! Hier is te weinig …

orde

62

Koop ik popcorn of chocolade? Wat een moeilijke … !

keuze

63

De suggestie = …

voorstel

64

Je liegt! Je spreekt de … niet!

waarheid

65

Gewoonlijk = …

meestal

66

Je moet … zijn als je de straat oversteekt!

voorzichtig

67

Jules lacht hard, hij vindt het heel …

grappig

68

Raar, vreemd = …

gek

69

Belachelijk = …

idioot

70

Mijn papa is een … vader.

goede

71

Vriendelijk, lief = …

aardig

72

Wie veel beweegt en veel praat, is …

druk

73

Wie niet druk is, is …

rustig

74

Hard roepen = … roepen

luid

75

Met goede manieren = …

beleefd

76

Vandaag heb ik … mijn directeur gezien. Dat had ik niet verwacht!

toevallig

77

Ik weet niet waar mijn sleutels zijn. Ik ben ze … . Kan jij me helpen …? Zo zal ik ze sneller … .

verloren, zoeken, vinden

78

In deze kamer hangt een goede sfeer. Het is er heel …

gezellig

79

Ernstig =

serieus

80

Juan scoorde vijf goals. Zijn coach is heel ….

trots

81

Wie de waarheid vertelt, is … .

eerlijk

82

Iets wat moet, is …

verplicht

83

Trachten = …

proberen

84

Ik heb aan mama iets gevraagd, maar ze antwoordt niet. Ik krijg geen … .

reactie

85

Sofie heeft lekkere soep …

gemaakt

86

Je moet dit allemaal maken. Zal je dat … ?

lukken

87

“… je het … dat we vertrekken? “ - “Ja hoor! Geen probleem!”

vind je het goed

88

“Wil jij in het water springen?” - ‘Neen! Dat … ik niet!’

durf

89

“We gaan naar de cinema!” - ‘wie heeft dat … ?’

beslist