TW18 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW18 B1 > Flashcards

Flashcards in TW18 B1 Deck (73):
1

het vervoer = …

het transport

2

Wat zijn de tijden van VERVOEREN?

vervoerde, heeft vervoerd

3

het vervoermiddel = …

het voertuig

4

Een trein in een grote stad die vaak onder de grond rijdt = …

de metro

5

het plaatsbewijs = …

het biljet / het ticket

6

Mijn treinkaart is op. Ik moet even naar het … om een nieuwe te kopen.

loket

7

We reizen naar Amsterdam. Amsterdam is dus de … van onze reis.

bestemming

8

de prijs = …

het tarief

9

een kaart voor een periode van een jaar is een …

abonnement

10

Een korte reis met de auto, met het paard = …

de rit

11

De plaats waar alle metro's aankomen en vertrekken = …

het metrostation

12

Het tijdsschema voor bussen en metro's = …

de dienstregeling

13

De aansluiting = …

de verbinding

14

Onze trein heeft een uur … We zullen een koffie drinken tijdens het wachten.

vertraging

15

direct = …

rechtstreeks

16

De luchthaven = …

het vliegveld

17

Iemand die een vliegtuig bestuurt = …

de piloot

18

De mensen die op een vliegtuig of op een schip werken = …

de bemanning

19

Wat zijn de tijden van INCHECKEN?

checkte in, heeft ingecheckt

20

opstijgen >

landen

21

Ik kan niet meer op vakantie gaan. Ik zal de reis moeten …

annuleren

22

Soort vliegtuig met draaiende wieken bovenop = …

de helikopter

23

de baas op een klein schip = …

de schipper

24

de lading = …

de vracht

25

laden >

lossen

26

drijven >

zinken

27

Met een fiets moet je …

trappen

28

Een grote kist waar je dingen in kunt doen en ze zo kunt vervoeren = …

de container

29

Als een schip zinkt naar de bodem van de zee, blijft er een … over.

wrak

30

Een auto waarmee je bestellingen rondbrengt = …

de bestelwagen

31

De bestuurder = …

de automobilist

32

Er staan langs de baan enkele jongens te … Ze proberen dus met ons mee te rijden.

liften

33

het stoplicht = …

het verkeerslicht

34

de file = …

de opstopping

35

Wat zijn de tijden van VERTRAGEN?

vertraagde, heeft vertraagd

36

verder rijden >

stilstaan

37

Als we door de … rijden, valt het radiosignaal soms weg.

tunnel

38

Cirkelvorming verkeersplein waar twee wegen elkaar kruisen = …

de rotonde

39

Verkleinde schematische tekening van een stad = …

de plattegrond

40

Wat zijn de tijden van AANDUIDEN?

duidde aan, heeft aangeduid

41

Als het verkeer maar in één richting mag rijden, is dat …

eenrichtingsverkeer

42

De plaats waar een weg buigt = …

de bocht

43

gas geven >

remmen

44

je gordel omdoen of je gordel …

vastmaken

45

het ongeluk = …

het ongeval

46

Wat zijn de tijden van BOTSEN?

botste, is gebotst

47

Als het sneeuwt, moet je voorzichtig rijden, want dan kan de rijweg … zijn.

glad

48

aanzetten >

afzetten

49

Wat zijn de tijden van NAKIJKEN?

keek na, heeft nagekeken

50

Een grote batterij = …

de accu

51

Wat zijn de tijden van SLEPEN?

sleepte, heeft gesleept

52

Een auto heeft 4 …

banden

53

De parkeergarage = …

de parking/het parkeerterrein

54

Wat zijn de tijden van INSLAAN?

sloeg in, is ingeslagen

55

de baan = …

de rijstrook

56

de afrit = …

de afslag

57

Hé, heb je dat … niet gezien? Er stond op dat je maar 50km/h moogt rijden!

verkeersbord

58

Wat zijn de tijden van VERMIJDEN?

vermeed, heeft vermeden

59

De … is hier 120 kilometer per uur.

maximumsnelheid

60

Een … moet oversteken op het zebrapad.

voetganger

61

de stoep = …

het trottoir

62

Een fietser moet op het … rijden

fietspad

63

Wat zijn de tijden van VOORSORTEREN?

sorteerde voor, heeft voorgesorteerd

64

Volgens de algemene wet geldt hier … van rechts

voorrang

65

de weg = …

de route

66

Je moet beide handen op je … houden als je rijdt.

stuur

67

Het is belangrijk om steeds in je … te kijken zodat je al het verkeer achter je ook ziet.

achteruitkijkspiegel

68

Er komt veel zwarte rook uit de … van die auto.

uitlaat

69

Als je een kindje hebt, moet je hem plaatsen in een … in de auto.

kinderzitje

70

Wat zijn de tijden van SCHAKELEN?

schakelde, heeft geschakeld

71

de rem >

het gaspedaal

72

Als je naar links wilt afslaan, moet je je … aanzetten.

richtingaanwijzer

73

het teken = …

het signaal