TW8 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW8 B1 > Flashcards

Flashcards in TW8 B1 Deck (118):
1

Verdorie, ik kan je naam echt niet onthouden, ik heb een heel slecht …

geheugen

2

Zeggen dat iemand heel goed is, dat is iemand …

prijzen

3

Je talenten ontwikkelen, dat is jezelf …

ontplooien

4

Ik ben de slechtste van de klas. Omdat ik drie weken ziek ben geweest, heb ik nu een …

achterstand

5

Corrigeren = …

verbeteren

6

Met veel liefde = …

liefdevol

7

Jij moet ervoor zorgen dat alles op het feestje goed verloopt, dat is jouw …

verantwoordelijkheid

8

Iemand een straf geven, dat is iemand …

straffen

9

Kinderen … is de taak van de ouders, ze moeten ervoor zorgen dat het gezonde en gelukkige volwassenen worden.

opvoeden

10

Welk waarden en normen heb je van je ouders meegekregen? Wat was er belangrijk in je …?

opvoeding

11

Meester, hij heeft mij een duw gegeven en zij heeft aan mijn haar getrokken. > dat heet …

klikken

12

Jan en Eva komen heel goed overeen, het zijn goede vrienden, het … echt tussen hen.

klikt

13

Iemand zeggen wat hij moet doen, is iemand iets …

opdragen

14

Hoe heet het eerste jaar van de middelbare school in Nederland? Dat is de …

brugklas

15

De laagste groepen of klassen van een school, dat is de …

onderbouw

16

De hoogste groepen of klassen van een school, dat is de …

bovenbouw

17

In België moeten alle studenten leren, thuis of op school, we zijn allemaal …

leerplichtig

18

Van 2,5 tot 5 jaar ga je naar de …

kleuterschool

19

Wie in Nederland op de middelbare school Grieks en Latijn studeert, die gaat naar het …

gymnasium

20

De leraar = de …

leerkracht

21

Een leraar die lesgeeft in het middelbaar of hoger onderwijs, dat is een …

docent/docente

22

Iemand die leerlingen helpt bij problemen en hen begeleidt, dat is een …

mentor/ mentrix

23

Geografie = …

aardrijkskunde

24

De wetenschap die alles wat leeft, bestudeert, dat is de …

biologie

25

Leren rekenen dat doe je tijdens de les …

wiskunde

26

Je leert met computers werken in de les …

informatica

27

Fysica = …

natuurkunde

28

Chemie = …

scheikunde

29

In welk vak leer je hoe apparaten werken? Dat is de les …

techniek

30

Religie = ...

godsdienst

31

Gymnastiek = …

lichamelijke opvoeding

32

Linguïstiek = …

taalkunde

33

Hoe heet het schema met de uren van je lessen? Dat is je …

(les)rooster, (uur)rooster

34

Op school kun je wiskunde-wetenschappen doen, of Latijn-Moderne talen, en die pakketten heten …

studierichtingen

35

In Frankrijk spreken de mensen …

Frans

36

In Engeland spreken de mensen …

Engels

37

In Duitsland spreken de mensen …

Duits

38

In Spanje spreken de mensen …

Spaans

39

De Romeinen spraken …

Latijn

40

In Griekenland spreken de mensen …

Grieks

41

In de klas schrijft de leraar op het …

(school)bord

42

Met een krijtje schrijf je op een zwart bord, met een stift schrijf je op een …

whiteboard

43

Hoe heet het voorwerp waarmee je de tekst van een bord kan vegen?

de wisser, de bordenwisser, de bordveger

44

De etui = de …

pennenzak

45

Hoe heet het blauwe water in je pen? Dat is de …

inkt

46

De gom (B) = (NL) de …

gum

47

De/het liniaal = de …

meetlat

48

Een klein boekje met bladen maar zonder tekst, dat is een … en je kan erin schrijven.

schrift

49

Aanwezig zijn bij een les, dat is een les …

bijwonen

50

Ik geef les … kleine kinderen. (prepositie)

aan

51

Ik geef les … een meisjesschool. (prepositie)

op

52

Doceren = …

onderwijzen

53

Een spreekoefening waarbij één persoon een politieagent is en iemand anders een dief en je krijgt een beginsituatie, dat is een …

rollenspel

54

De instructie = de …

aanwijzing

55

De oefeningen op p. 4 gaan we niet doen, we gaan meteen naar p. 5 = we gaan die oefeningen …

overslaan

56

Heel goed luisteren en kijken in de klas, dat heet …

opletten

57

De oefeningen die je thuis moet maken, dat is je …

huiswerk

58

Een les waarin je praktische dingen oefent, bijvoorbeeld bij chemie, dat is een …

practicum

59

Netjes, zoals het hoort en zonder fouten, dat is …

keurig

60

Niet verzorgd en niet netjes, dat is …

slordig

61

Een presentatie op school, voor de hele klas en over een bepaald onderwerp, dat is een …

spreekbeurt

62

Een gesprek tussen twee mensen, dat is een …

dialoog

63

Wie redelijk snel en zonder veel fouten Nederlands kan spreken, die spreekt … Nederlands

vloeiend

64

Veel ouders lezen 's avonds luidop een verhaal voor hun kinderen, dat heet …

voorlezen

65

Als de leraar een tekst leest en jij moet alles letterlijk noteren, dan ben je een … aan het doen

dictee

66

Het vak waarin je juist leert schrijven, dat is het vak …

spelling

67

Een fout tegen de regels van de spelling, dat is een …

spelfout

68

Noteren = …

opschrijven

69

Een tekst opnieuw en deze keer beter schrijven, dat is een tekst …

herschrijven

70

Je notities, dat zijn je …

aantekeningen

71

Nota's nemen = aantekeningen …

maken

72

Het/de vocabulaire = de …

woordenschat

73

In deze oefeningen zie je gaten. Daar moet je het antwoord …

invullen

74

Een korte versie schrijven van een lange tekst, dat is een tekst …

samenvatten

75

Welk substantief kun je maken van 'samenvatten'? De …

samenvatting

76

Een tekst die je op school moet schrijven over een bepaald onderwerp, dat is een …

opstel

77

Een oefening waarbij je moet rekenen =

de som

78

Bij elkaar tellen =

optellen

79

6 - 4 = 2 > Wat je hier doet, dat heet ...

aftrekken

80

Als je 10 … door 5, krijg je 2.

deelt

81

Als je 2 … met 4, krijg je 8.

vermenigvuldigt

82

Geef de tijden van UITREKENEN?

rekende uit, uitgerekend

83

Een dag waarop je naar school moet gaan = een ...

schooldag

84

Het jaar van de eerste schooldag tot de laatste schooldag, is een …

schooljaar

85

De test =

het proefwerk

86

Een examen dat je moet afleggen om toegelaten te worden tot een bepaalde studierichting =

het toelatingsexamen

87

Het niveau =

het peil

88

Spieken =

afkijken

89

Corrigeren =

nakijken/ verbeteren

90

De correctie =

de verbetering

91

Geef de tijden van AANBRENGEN?

bracht aan, aangebracht

92

Als je een kruisje bij iets zet, wat doe je dan? (verbum)

aankruisen

93

Iets krijgen door ervoor te werken =

behalen

94

Geef de tijden van PROMOVEREN?

promoveerde, gepromoveerd

95

De rector >

de rectrix/ rectrice

96

Het certificaat =

het attest

97

Als je een opleiding succesvol gevolgd hebt, krijg je een …

diploma

98

Een diploma van de universiteit =

de bul

99

Academisch =

universitair

100

Het onderwijs na de middelbare school, noemen we het …

hoger onderwijs

101

De professor =

de hoogleraar

102

De titel die je krijgt nadat je aan de universiteit onderzoek hebt gedaan en een proefschrift hebt geschreven =

de doctor

103

Iemand die iets wetenschappelijk onderzoekt, is een …

onderzoeker

104

De baas van een universiteit =

de rector (magnificus)

105

Een afdeling van een universiteit of hogeschool is een …

faculteit

106

De afdeling =

het departement

107

Een groep mensen aan de universiteit die met hetzelfde onderwerp bezig zijn, noem je een …

vakgroep

108

Studenten krijgen van de overheid een … om hun studie te kunnen financieren.

studiebeurs

109

De collegekaart =

de studentenkaart

110

Studenten die zich amuseren, hebben een leuk ...

studentenleven

111

Het studentenrestaurant =

de mensa

112

Het experiment =

de proef

113

Een plaats waar dingen wetenschappelijk onderzocht of geproduceerd worden, noem je een …

laboratorium

114

Geef de tijden van BESTUDEREN?

bestudeerde, bestudeerd

115

Iets in stukjes verdelen om het goed te onderzoeken =

de analyse

116

Dat wat je toevoegt =

de aanvulling

117

Een verslag van een onderzoek dat je voor je studie moet schrijven =

de scriptie

118

Het proefschrift =

de dissertatie