TW24 A1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW24 A1 > Flashcards

Flashcards in TW24 A1 Deck (79):
1

Ik telefoneer met Pieter. We hebben een leuk …

gesprek

2

Angela praat graag over haar kinderen. = Angela … graag … haar kinderen.

spreekt (graag) over

3

spreken = …

praten

4

Mag ik jou iets … ? Weet jij waar de bioscoop is?

vragen

5

Welk substantief kan je vormen met het verbum vragen?

de vraag

6

de vraag >

het antwoord

7

Welk substantief kan je vormen met het verbum antwoorden?

het antwoord

8

Jules … dat hij een koffie wil drinken.

zegt

9

Kan je me wat meer … over je hobby's?

vertellen

10

Kan je me dat uitleggen? Ik weet niet wat je … !

bedoelt

11

Als je iets zegt dat niet waar is, dan ben je aan het …

liegen

12

Praat eens wat stiller! Je moet niet zo hard … !

roepen

13

Ik ga geen huiswerk meer maken. = ik … huiswerk te maken.

weiger

14

… Leo, hoe gaat het met je?

Dag

15

Als iemand gaat slapen, dan zeg je …

goedenacht / welterusten

16

Zonder bril kan Julie niet goed …

zien

17

We hebben afgesproken aan de kathedraal, ik zal hem daar om 14.00u …

ontmoeten

18

Ik ben ziek. Ik … … niet goed.

voel me

19

… . Dankuwel!

Alsjeblieft

20

Voor sommige extra … moet je bijbetalen.

diensten

21

Dankuwel! Graag … !

gedaan

22

pardon = …

sorry

23

Als je op straat loopt, moet je … zijn.

voorzichtig

24

Mijn test was slecht. Ik heb stomme … gemaakt!

fouten

25

De bus is niet gekomen. Het is niet mijn … dat ik te laat ben!

schuld

26

Ik ... dit woord niet. Kan je me dat eens uitleggen?

begrijp

27

Ik kan je niet goed … . De muziek staat te hard!

verstaan

28

Kan je dat nog een keertje … ? Ik heb je niet verstaan.

herhalen

29

Ik ga naar het feestje, maar … heb ik geen zin.

eigenlijk

30

Fruit is lekker. … is het gezond.

Bovendien

31

Kom … binnen en neem een koekje!

maar

32

Kom … hier.

eens

33

Na de … was er een compromis.

discussie

34

Het … alsof je boos bent. Je kijkt zo boos!

lijkt

35

… de regels mogen we binnen niet roken.

Volgens

36

Ze noemen me Marieke, maar … heet ik Marie.

eigenlijk

37

Iets dat waar is, is een …

feit

38

ja >

neen

39

Het is waar. = Het is …

juist

40

juist >

fout

41

niet >

wel

42

Is het … om hem te spreken? -> Neen, hij is er nu niet.

mogelijk

43

Kan je wat … schrijven? Ik kan het niet lezen.

duidelijker

44

Ik weet niet exact waar hij is. = Ik weet niet … waar hij is.

precies

45

Ik … dat Harry verliefd is, maar ik ben niet zeker!

denk

46

Weet je … dat Harry niet komt vanavond?

zeker

47

het eens zijn met = …

akkoord gaan met

48

voor >

tegen

49

fout = …

verkeerd

50

Gelukkig … het goed ... . Het was niet zo erg als ik dacht!

viel ( het goed) mee

51

echt = …

werkelijk

52

Ik lust … chocolade, maar ik eet … fruit.

graag (...) liever

53

Ik lust graag chocolade, maar het … eet ik fruit!

liefst

54

Het is spijtig dat hij niet komt. = Het is … dat hij niet komt.

jammer

55

Ze liegt altijd. Ik … haar niet!

geloof

56

De jurk past … niet meer. Ik ben dikker geworden!

waarschijnlijk

57

Kunt u de muziek … wat zachter zetten?

misschien

58

Ik vond het een hele goede film. = ik vond het een … film!

geweldige

59

prachtig = …

schitterend

60

Bart … heel goed zwemmen.

kan

61

Ik kan niet mee. Ik … niet van mijn ouders.

mag

62

natuurlijk = …

tuurlijk

63

Kan ik mijn jas hier … liggen?

laten

64

Voor een appeltaart heb je appels …!

nodig

65

Ik … niet in de zee zwemmen. Ik ben bang van water.

durf

66

Van de juf … we zwijgen.

moeten

67

… wil je verhuizen? -> Omdat ik er niet meer wil wonen.

Waarom

68

… we naar het strand gaan? -> Ja! Goed idee!

Zullen

69

Ik weet niet wat ik wil doen deze middag. Heb jij een goed … ?

idee

70

… het regent, … word je nat!

Als (...) dan (...)

71

Als ik iets niet weet, dan vraag ik … aan mijn moeder.

advies

72

Frans, Duits en Nederlands zijn …

talen

73

Wat … dat woord in het Frans? Ik begrijp het niet in het Nederlands!

betekent

74

Het woord 'banaan' begint met de … 'b'.

letter

75

Voor deze test moesten we veel … leren.

woorden

76

'Waar ben je?' is een …

vraag

77

Ik … een appel gegeten.

heb

78

Jij … naar buiten gegaan.

bent

79

De tweede … meervoud is 'jullie'.

persoon