TW9 A2 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW9 A2 > Flashcards

Flashcards in TW9 A2 Deck (36):
1

Het onderwijs waar je een beroep kunt leren = het ...

beroepsonderwijs

2

Wat je weet of geleerd hebt = de ...

kennis

3

Als je iets al heel vaak gedaan of meegemaakt hebt, heb je …

ervaring

4

Als je twee talen spreekt, ben je …

tweetalig

5

Voldoende zijn, genoeg zijn voor iets = ... ...

voldoen aan

6

De baan = de ...

job

7

De post = de ...

betrekking

8

Een dag waarop je werkt, is een ...

werkdag

9

Alle dingen die je doet voor je werk = de ...

werkzaamheden

10

Hij bouwt huizen, hij moet dus veel fysieke ... doen.

arbeid

11

Als je naar een hogere functie gaat, ga je …

hogerop

12

De baas = de ...

chef

13

De persoon voor wie je werkt = de ...

werkgever, werkgeefster

14

Iemand die voor een baas werkt = de ...

werknemer, werkneemster

15

Iemand die meestal met zijn handen werkt = de ...

arbeider, arbeidster

16

Als je niet voor een baas werkt, ben je …

zelfstandig

17

Iemand die niet voor een baas werkt = de ...

zelfstandige

18

Iemand die voor de overheid werkt = de ...

ambtenaar

19

De medewerker = de ...

bediende

20

De werknemers van een bedrijf = het ...

personeel

21

Een bedrijf leiden = een bedrijf ...

besturen

22

De leiding = het ...

bestuur

23

Iemand die de leiding heeft over een aantal werknemers in een bedrijf = de ...

manager

24

Geef de tijden van BEHEREN.

beheren, beheerde, heeft beheerd

25

Een kantoor dat je helpt als je een baan zoekt of als je een baan aanbiedt = het ...

arbeidsbureau

26

Als je niet gezond genoeg bent om te werken, ben je …

arbeidsongeschikt

27

De plaats van iets of iemand innemen =

vervangen

28

De voorwaarden waaronder je je werk doet = de ...

arbeidsvoorwaarden

29

Het salaris = het ...

loon, inkomen

30

Op je salaris moet je … betalen.

belastingen

31

Een bepaalde tijd waarin je vrij bent = de ...

vakantieperiode

32

De vakantiedag = de ... ...

vrije dag

33

Een periode waarin je niet hoeft te werken = het ...

verlof

34

Een dag waarop iets officieel gevierd wordt = de ...

feestdag

35

De … … van België is op 21 juli.

nationale feestdag

36

Als mensen niet gaan werken uit protest, dan is er een ...

staking